Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(24)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(6)
  • Soft Law(31)

Het beleggingsfonds waarop de onderhavige zaak betrekking heeft (Fundusz; Polen), is een niet-gestandaardiseerd fonds in de zin van artikel 183 Wet op de beleggingsfondsen. Het overweegt om, als subparticipant, subparticipatieovereenkomsten met banken of andere fondsen aan te gaan met het oog op de koop van de inkomsten uit kredietvorderingen. Om er zeker van te zijn dat de in die overeenkomsten opgenomen diensten vrijgesteld zijn van btw, heeft het beleggingsfonds de minister Finansów (minister van Financiën) verzocht om afgifte van een fiscale ruling. Volgens Fundusz hebben subparticipatieovereenkomsten hetzelfde doel als leningsovereenkomsten, waarvoor een btw-vrijstelling geldt. De minister van Financiën is van mening dat het hoge btw-tarief van toepassing is en heeft bij fiscale ruling van 30 december 2015 het standpunt van het beleggingsfonds van de hand gewezen.

De verwijzende rechter twijfelt of de subparticipatieovereenkomst in kwestie btw-rechtelijk op soortgelijke wijze als een krediet- of leningsovereenkomst kan worden behandeld. Zij heeft hierover aan het HvJ een prejudiciële vraag gesteld.

A-G Medina stelt zich op het standpunt dat een handeling als die in het hoofdgeding, duidelijk niet een van de van btw vrijgestelde financiële handelingen betreffende de verlening van kredieten van artikel 135, lid 1, onder b, Btw-richtlijn vormt. Een dergelijke handeling kan mogelijk echter onder andere bepalingen vallen, zoals onder punt f van dat lid, gezien het wezenlijke onderdeel van risicobeheer dat de subparticipant op zich neemt.

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2015
Instantie
A-G HvJ
Datum instantie
12 mei 2022
Rolnummer
C‑250/21
ECLI
ECLI:EU:C:2022:386
celex32006l0112&artikel=135

X