Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(13)
  • Jurisprudentie(68)
  • Commentaar NLFiscaal(9)
  • Literatuur(83)
  • Recent(6)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

X (bv; belanghebbende) is opgericht als onderdeel van een project van een Franse en een Nederlandse financiële instelling. Zij heeft in de boekjaren 2007/2008 en 2008/2009 preferente aandelen (prefs) verworven in een Luxemburgse deelneming. Daarnaast heeft zij een omvangrijke obligatieportefeuille verworven. De prefs worden gefinancierd met Limited Recourse-leningen (de leningen), circa € 750 miljoen, verstrekt door een andere Luxemburgse vennootschap. De Luxemburgse vennootschappen zijn groepsvennootschappen van de Franse financiële instelling. De vergoeding op de prefs is in Luxemburg aftrekbaar en valt in Nederland in beginsel onder de deelnemingsvrijstelling. De door X verschuldigde rente is afgestemd op het rendement op de prefs en bedraagt ruim € 31 miljoen per boekjaar.

Voor de periode vanaf 1 januari 2008 is Hof Amsterdam van oordeel dat de Inspecteur, met toepassing van een vanaf die datum voor hem bestaande tegenbewijsmogelijkheid, aannemelijk heeft gemaakt dat aan de leningen niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De verschuldigde rente is dan reeds op grond van artikel 10a Wet VpB 1969 niet aftrekbaar. Voor het gedeelte van de rente dat betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 1 januari 2008 acht het Hof het aannemelijk dat de leningen zijn aangegaan met het doorslaggevende oogmerk om belasting te besparen. De aldus (kunstmatig) gecreëerde rentelasten zijn afgezet tegen op kunstmatige wijze bij X tot stand gekomen voordelen. In een dergelijk geval staat het leerstuk wetsontduiking (fraus legis) aan aftrek van de rente in de weg, aldus het Hof.

X heeft met vier middelen cassatieberoep ingesteld. A-G Wattel geeft de Hoge Raad in overweging om het cassatieberoep van X ongegrond te verklaren. Aan het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van de staatssecretaris komt hij dan niet toe, maar hij acht het ongegrond wegens het ontbreken van feitelijke grondslag.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2007-2009
Instantie
A-G
Datum instantie
24 mei 2022
Rolnummer
21/04746
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:507
Auteur(s)
Arco Bobeldijk
Loyens & Loeff/Nyenrode Business Universiteit
NLF-nummer
NLF 2022/1239
Aflevering
30 juni 2022
Judoreg
NFB5093
bwbr0002672&artikel=10a,bwbr0002672&artikel=10a

X