Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

In de jaren 2012 tot en met 2016 heeft X (belanghebbende) uit hoofde van een verzekeringspolis jaarlijks een bedrag van € 3.580 ontvangen van de verzekeringsmaatschappij. X heeft dat bedrag niet in zijn aangiften voor die jaren opgenomen. Bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2016 heeft de Inspecteur de ontvangen bedragen van jaarlijks € 3.580 in de belastingheffing betrokken. In geschil is of dat voor de jaren 2015 en 2016 terecht is.


Voor de jaren 2012 tot en met 2014 heeft X eerder geprocedeerd en is hij in het ongelijk gesteld (Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, 17/01321 t/m 17/01323, ECLI:NL:GHARL:2018:7862, NLF 2018/2027 bevestigd door de Hoge Raad bij arrest van 14 juni 2019, 18/04370, ECLI:NL:HR:2019:941 (artikel 81 Wet RO)).


Het Hof begrijpt X aldus dat hij ook in de onderhavige procedure betoogt dat geen sprake is van een lijfrente en dat hij de premies voor de lijfrente in de jaren 1997 tot en met 2002 niet in aftrek heeft gebracht zodat op grond van een resolutie van 29 juni 1990 de saldomethode toepassing vindt. Het Hof verwerpt dit betoog.


Voor zover X heeft verzocht voornoemde uitspraak van dit Hof van 4 september 2018 te herzien, wordt het verzoek afgewezen, nu geen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 Awb zijn gesteld.


Het hoger beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2015-2016
Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
Datum instantie
9 november 2021
Rolnummer
20/01075;20/01076
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:10463
NLF-nummer
NLF 2021/2226
Aflevering
25 november 2021

X