Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

X (belanghebbende) is inwoner van Nederland. Hij is in dienstbetrekking werkzaam bij A, een wereldwijd opererend concern dat offshore-boorwerkzaamheden naar olie en gas verricht.

In 2010 heeft B in opdracht van A een boorschip gebouwd op een scheepswerf in Zuid-Korea. A heeft X ingezet als toezichthouder bij de bouw en de proefvaarten van het boorschip. De toezichthoudende werkzaamheden van X bestonden uit het controleren of het gebouwde aan de technische vereisten voldeed. In verband met zijn toezichthoudende werkzaamheden kon X gebruikmaken van kantoorruimte van B in Zuid-Korea. X heeft in 2010 minder dan 183 dagen in Zuid-Korea verbleven.

Voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of de Inspecteur terecht geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting heeft verleend voor het loon dat is toe te rekenen aan de periode dat X in Zuid-Korea heeft verbleven. In het bijzonder was in geschil of de beloning ten laste is gekomen van een vaste inrichting van A in Zuid-Korea. Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de Inspecteur terecht vermindering ter voorkoming van dubbele belasting heeft geweigerd, omdat A in 2010 niet over een vaste inrichting in Zuid-Korea beschikte.

Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dit ongegrond.

Het Hof heeft overwogen dat niet in geschil is dat A geen omzet in Zuid-Korea heeft behaald. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de toezichthoudende werkzaamheden op de bouw van het boorschip geen essentieel deel van de activiteiten van A vormden. Daarin ligt besloten dat A de onderneming niet geheel of gedeeltelijk in Zuid-Korea uitoefende door middel van een vaste inrichting als bedoeld in artikel 5, lid 1, Verdrag Nederland-Korea. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Het oordeel van het Hof dat de door X verrichte werkzaamheden in verband met de bouw van het boorschip door B in opdracht van A niet zijn aan te merken als in artikel 5, lid 2, aanhef en onderdeel h, Verdrag Nederland-Korea bedoelde werkzaamheden geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Conform Conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2019:308 (NLF 2019/1070, met noot van Van Dun).

In geschil was het antwoord op de vraag of Nederland het heffingsrecht heeft ter zake van de arbeidsbeloning die belanghebbende ontvangt voor zijn toezichthoudende werkzaamheden op het door een Koreaanse werf (B Co) in opdracht van een Zwitserse onderneming (A) te bouwen boorschip. Krachtens artikel 16, lid 1, Verdrag Nederland-Korea zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen ter zake van een dienstbetrekking door een inwoner van Nederland slechts in Nederland belastbaar, tenzij de dienstbetrekking wordt uitgeoefend in Korea. Ingevolge artikel 16, lid 2, Verdrag Nederland-Korea is de beloning verkregen door een inwoner van Nederland ter zake van een in Korea uitgeoefende dienstbetrekking echter slechts belastbaar in Nederland, indien:

  1. de genieter in Korea verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken die in het desbetreffende belastingjaar (2010) een totaal van 183 dagen niet te boven gaan; en
  2. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van Korea is; en
  3. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die de werkgever in Korea heeft.

In cassatie ging het met name om de vraag of het loon van belanghebbende ten laste is gekomen van een vaste inrichting in Korea van de werkgever van belanghebbende als bedoeld in artikel 16, lid 2, aanhef en onderdeel c, Verdrag Nederland-Korea. De Hoge Raad volgt de A-G, het Hof en de Rechtbank in het oordeel dat geen sprake is van een vaste inrichting in Korea. Als gevolg daarvan hoeft Nederland geen voorkoming van dubbele belasting te geven ten aanzien van het salaris van belanghebbende dat aan de activiteiten in Korea toerekenbaar is.1

Rubriek(en)
Internationaal belastingrecht
Belastingtijdvak
2010
Instantie
HR
Datum instantie
19 juli 2019
Rolnummer
17/05809
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1220
Auteur(s)
Alexander Bosman
Loyens & Loeff/Vrije Universiteit
NLF-nummer
NLF 2019/1748
Aflevering
1 augustus 2019
Judoreg
NFB2658

X