Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(6)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(2)

De moeder (erflaatster) van X (belanghebbende) is op 30 juli 2018 overleden. Zij was in koude uitsluiting gehuwd. In haar testament heeft zij haar echtgenoot onterfd en haar twee kinderen tot enig erfgenaam benoemd.

De vader van X is in de woning van zijn echtgenote blijven wonen en heeft medewerking verlangd van X en haar broer aan de vestiging van een recht van vruchtgebruik op die woning (artikel 4:29 BW). Voordat dit recht van vruchtgebruik was gevestigd, is de vader van X ernstig ziek geworden en op 4 juli 2019 aan deze ziekte overleden.

In geschil is of de Inspecteur de aanslag erfbelasting op grond van artikel 53 SW 1956 moet verminderen.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat er geen aanleiding is om de aanslag te verminderen. Artikel 53 SW 1956 kent een dubbele toets. Ten eerste moet een wilsrecht zijn uitgeoefend en ten tweede moet als gevolg van de uitoefening van dat wilsrecht een wijziging worden gebracht in de persoon van de verkrijger of het verkregene. Hieraan is niet voldaan.

Een (afgifte)legaat van vruchtgebruik en een beroep op de legitieme portie die direct leiden tot een lagere aanslag erfbelasting betreffen andere situaties dan hier aan de orde en zijn hier niet mee te vergelijken.

De Rechtbank heeft geen ruimte om rekening te houden met de specifieke situatie van X. Voor zwaarwegende gevallen van onrechtvaardige aard heeft de staatssecretaris van Financiën de bevoegdheid om een tegemoetkoming te verlenen. Het beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Schenk- en erfbelasting
Belastingtijdvak
2018
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
15 april 2022
Rolnummer
21/4940
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2022:1917
NLF-nummer
NLF 2022/1160
Aflevering
16 juni 2022
bwbr0002226&artikel=53,bwbr0002226&artikel=53

X