Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(81)
  • Commentaar NLFiscaal(20)
  • Literatuur
  • Recent(5)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

X (belanghebbende) en zijn echtgenote waren in 2019 werkzaam bij B (bv). B heeft zowel aan X als aan zijn echtgenote een auto van de zaak ter beschikking gesteld. Aan X een Volkswagen Up (auto 1) en aan zijn echtgenote een Hyundai i30 (auto 2). Voor auto 1 beschikte X over een verklaring ‘Geen privégebruik auto’. Voor auto 2 gold het autokostenforfait en de bijbehorende bijtelling.

De echtgenote is door ziekte op 25 juli 2019 overleden. B heeft hierop auto 1 per 31 juli 2019 ingenomen en X heeft vanaf 1 augustus 2019 gebruikgemaakt van auto 2. B heeft van 1 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 de bijtelling privégebruik auto toegepast op het loon van X.

De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag LB opgelegd ter zake van het privégebruik van auto 1 door X over de periode 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2019. Het bedrag van de naheffingsaanslag is € 1.141.

Rechtbank Den Haag heeft de naheffingsaanslag vernietigd. De Inspecteur heeft daarop hoger beroep ingesteld.

Hof Den Haag overweegt dat auto 1 feitelijk door B aan zowel X als zijn echtgenote ter beschikking is gesteld. Om die reden moet in dit geval de bijtelling voor privégebruik van auto 1 in redelijkheid worden verdeeld over hen beiden. Het Hof berekent dan dat een voordeel van afgerond € 876 ter zake van het privégebruik tot het inkomen van X moet worden gerekend. De door de Inspecteur opgelegde naheffingsaanslag is dus te hoog.

Het beroep op toepassing van de hardheidsclausule is afgewezen. Zoals in de afwijzing is vermeld, is het vast beleid dat de staatssecretaris van Financiën verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule met betrekking tot de regeling voor privégebruik met een auto van de zaak steeds afwijst. Ten overvloede overweegt het Hof dat een beleidsmatige en categorische uitsluiting van de hardheidsclausule zich niet verhoudt met de van de staatssecretaris gevraagde zorgvuldigheid bij het voorbereiden van besluiten. Het Hof geeft de staatssecretaris – ten overvloede en partijen niet bindend – in overweging het beroep van X op de hardheidsclausule in deze schrijnende situatie opnieuw te beoordelen.

Rubriek(en)
Loonbelasting
Belastingtijdvak
1 januari 2019 t/m 31 juli 2019
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
13 januari 2022
Rolnummer
21/00360
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:9
bwbr0002471&artikel=13bis

X