Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Op 15 november jl. heeft de Tweede Kamer het pakket Belastingplan 2019 (wetsvoorstellen 35 026 t/m 35 029 en 35 031 t/m 35 033) en het implementatievoorstel ATAD1 (wetsvoorstel 35 030) aangenomen. Daaraan voorafgaand heeft de Kamer vier dagen met staatssecretaris Menno Snel van Financiën over de wetsvoorstellen gedebatteerd. In totaal ruim 28 uur. Het debat met Snel werd vooral door een aantal oppositiepartijen gezocht. Het viel mij op dat Snel, anders dan zijn voorganger Wiebes, zijn dossiers buitengewoon goed kent en de vele vragen en aanvallen van de oppositiepartijen moeiteloos wist te pareren. Een punt dat tijdens het laatste plenaire debat aan de orde kwam, was de verlaging van de vpb-tarieven. De vraag was of Nederland hierdoor meedoet aan een race to the bottom in Europa. Snel gaf Renske Leijten (SP), Lammert van Raan (PvdD) en Henk Nijboer (PvdA) het nakijken.

Een goed vestigingsklimaat is belangrijk maar oppositiepartijen vinden dat er sprake is van een race to the bottom

Voor wat betreft het vestigingsklimaat vindt het kabinet het belangrijk dat grote en kleine bedrijven zich in Nederland thuis voelen en succesvol kunnen zijn. Door het vpb-tarief te verlagen, wordt ondernemen en investeren in Nederland aantrekkelijker. En door de lasten op arbeid te verlagen, wordt het aantrekkelijker om mensen in dienst te hebben, wat niet onbelangrijk is. Daarnaast stimuleert het kabinet innovatie, vooral bij het midden- en kleinbedrijf, door bijvoorbeeld de WBSO te verruimen.

Volgens staatssecretaris Menno Snel wil dat echter niet zeggen dat het kabinet meedoet aan een race to the bottom. Snel:

‘De verlaging van het vpb-tarief is onderdeel van een breder pakket waarin de grondslagverbreding in diezelfde vpb net zo belangrijk is. Het is dus geen cadeautje, maar een verschuiving van hoge tarieven met veel grondslagversmalling naar lage tarieven met een grondslagverbreding. Dat gebeurt dus onder andere door de maatregelen in het wetsvoorstel ATAD1, de antibelastingmisbruikwetsvoorstellen, en bijvoorbeeld ook door het beperken van de verliesverrekening. Deze grondslagverbreding wordt daarbij voor het overgrote deel – dat was ook een vraag – opgebracht door het grootbedrijf. De opbrengst van de grondslagverbreding wordt vervolgens aangewend om het tarief te verlagen en ongeveer de helft van deze tariefverlaging gaat ook naar het mkb. Dus onder de streep is er door de maatregelen die dit kabinet presenteert een lastenontwikkeling die voor het mkb gunstiger is dan voor het grootbedrijf.’

Renske Leijten (SP) interrumpeerde hierop als volgt:

‘De staatssecretaris beweert dat Nederland niet meedoet aan de belastingoorlog die zo gewenst is door grote bedrijven, want dan kunnen ze lekker shoppen en zich daar vestigen waar ze zo min mogelijk belasting betalen. Dat is natuurlijk onwaar. Nederland is al jaren een belastingparadijs! We gaan naar een veel lager tarief op de winstbelasting dan in de ons omringende landen. Dat is gewoon evident. Maar als de staatssecretaris dan zo graag wil dat multinationals gewoon belasting gaan betalen, waarom krijgen ze dan zelfs compensatie voor het feit dat ze waarschijnlijk meer belasting gaan betalen? Waarom voert hij die wet die die internationale regels implementeert, dan zo in dat Nederland het nieuwe sluiprouteparadijs wordt, omdat wij niet kiezen voor – sorry, voorzitter – het strengste model A?’

Maar Snel is het niet met Leijten eens.

‘Wat Nederland doet, is niet op het door Europa vereiste minimum implementeren, want wij gaan daar ruim boven zitten. Dat heeft niets te maken met model A of B. Ik zal zo nog een keer toelichten op welke fronten wij allemaal meer doen dan de richtlijn van ons vraagt. En het beeld dat Nederland zich vooral weer opnieuw probeert te positioneren als een land waar een doorstroomactiviteit gewenst of acceptabel is, hoop ik met al mijn plannen weg te hebben kunnen nemen. Als het gaat om het aanpakken van de brievenbussen en als het gaat om aanpakken van het door Nederland stromen zonder reële economische activiteit, hebben wij een stevige agenda neergezet. Die agenda wordt niet alleen door mij stevig gevonden maar gelukkig ook door de internationale commentatoren.’

Leijten liet zich echter niet overtuigen door Snel. Zij stelde dat de tarieven op de winstbelasting fors lager worden dan in de ons omringende landen en dat Nederland willens en wetens een ander model kiest om belastingontwijking tegen te gaan dan de ons omringende landen.

Volgens Snel wordt de lastendruk voor het grootbedrijf per saldo juist groter. Het kabinet presenteert aan de ene kant grondslagverbredende maatregelen en die worden vooral betaald door het grootbedrijf. En vervolgens geeft het kabinet de vpb-verlaging aan alle bedrijven in Nederland door, zowel groot als klein. Snel:

‘Dan kan je niet zeggen: dit kabinet is vooral bezig om Nederland aantrekkelijk te maken voor het grootbedrijf. Dat is gewoon niet zo. Per saldo zijn de maatregelen die we nemen voor het bedrijfsleven onder de streep gunstiger voor het mkb dan voor het grootbedrijf. En de doorsluisactiviteiten gaan we beperken door iets te doen dat veel ons omringende landen helemaal niet hebben, namelijk het invoeren van een bronheffing op renten en royalty’s. U kunt zeggen dat die er nog niet is. Dat klopt, want die gaan wij volgend jaar in wetgeving omzetten. Daar verwachten wij heel veel van en wij gaan er ook heel, heel veel aan doen. Dus ik hoop dat ik daar in ieder geval iets van steun voor krijg, want het is belangrijk dat we dat doen.’

Leijten was niettemin nog niet klaar met het maken van haar punt.

‘Het gaat over de wetten die vandaag voorliggen, en dan beweert de staatssecretaris dat Nederland niet meedoet aan de race naar beneden. Nee, Nederland zit onder in die race! Het zegt tegen al die bedrijven: joehoe, hier moet je zijn, hier betaal je de minste winstbelasting; joehoe, hier moet je zijn, want hier kan je constructies maken om via bedrijfsconstructies zo min mogelijk winstbelasting te betalen.’

Tweede Kamerlid Lammert van Raan (PvdD) mengde zich daarop ook in de discussie.

‘Ik wil er even op doorgaan; niet op die bodem – van de zee, dat joehoe. De staatssecretaris zegt dat de grondslagverbreding, die met name voor grote bedrijven gaat aantikken, voor een deel kan worden gebruikt om de vpb te verlagen. Ik heb een aantal vragen hierover; allereerst de volgende. Zou de staatssecretaris willen erkennen dat de verlaging van de vpb, waarvoor die ook bedoeld is, op zich wel kan fungeren als een prikkel voor legale belastingconstructies? Dus dat die een prikkel kan zijn?’

Snel beantwoordde deze vraag ontkennend. Naar zijn sterke overtuiging leidt een stelsel met hoge tarieven en heel veel aftrekposten, of posten waarmee je structuren kunt verzinnen, tot het oproepen van structuren. Het kabinet probeert volgens hem nu juist om het systeem simpeler te maken, met minder toeters en bellen en minder mogelijkheden om belasting te ontwijken. Daartegenover staat een lager tarief. Per saldo is het systeem dat gebouwd wordt minder gevoelig voor doorstroomactiviteit dan het systeem dat er was, gaf Snel aan.

Daarna wilde Tweede Kamerlid Henk Nijboer (PvdA) ook nog het zijne kwijt over de race to the bottom, maar hij benaderde dit punt enigszins curieus. Volgens Nijboer loopt Nederland in the race to the bottom voorop in Europa. Hij vroeg zich af hoe het kabinet, nu er een Brexit deal lijkt aan te komen, het VK geloofwaardig gaat aanspreken zodat het VK niet de vpb-tarieven gaat verlagen.

Snel:

‘Ik probeer de vraag van de heer Nijboer te duiden. Hij zegt eigenlijk: het VK heeft plannen gepresenteerd om zijn vennootschapsbelasting te verlagen. Nou, wij presenteren ook plannen om onze vennootschapsbelasting te verlagen. Ik zit dus te denken wat daarin de tegenstelling is.’

Nijboer:

‘Dat is precies het probleem: het haasje-overeffect in Europa. De Kamer heeft keer op keer gezegd dat we dat niet moeten willen. De PvdA is daarin een van de voortrekkers, maar ook D66 doet daar vaak aan mee. We moeten niet willen dat landen tegen elkaar op gaan bieden, of eigenlijk naar beneden gaan bieden, zodat bedrijven straks geen belasting meer betalen, of althans steeds minder. De deal lijkt nu op komst. Je ziet dat het VK straks al die bedrijven wil trekken en de tarieven verder naar beneden wil laten gaan. Mijn vraag is dan hoe Nederland het VK nu geloofwaardig wil aanspreken.’

Snel vroeg zich af of het niet raar is dat de Engelsen wat doen terwijl Nederland niks zou doen. Volgens hem verlaagt Nederland de vpb-tarieven niet omdat het VK dat ook doet.

De vpb-opbrengsten laten zien dat er geen sprake is van een race to the bottom

De discussie over de race to the bottom eindigde uiteindelijk met het volgende betoog van Snel:

‘Wat de heer Nijboer probeert aan te geven, is dat de nominale tarieven zijn gedaald in de loop der tijd. Dat is natuurlijk zo. Daarentegen heb ik tijdens het wetgevingsoverleg al een keer uitgelegd dat als je kijkt naar de opbrengsten van de vpb als onderdeel van de totale belastingopbrengsten of naar het percentage vpb uitgedrukt als percentage van het bbp, je ziet dat door de cyclus heen het eigenlijk vrij constant is. Het idee dat er een race is naar de bodem van de schatkist, waar we het dan altijd over hebben, is in ieder geval niet waar als je kijkt naar de Nederlandse vpb-opbrengsten. Ik heb de getallen nu niet paraat voor de andere landen, maar ik vermoed dat daar eenzelfde soort patroon in zit. Natuurlijk zijn de ontvangsten altijd afhankelijk van de conjuncturele cyclus, dat besef ik ook. Maar zelfs als je daar doorheen een trendlijntje tekent, zie je dat dat vrij constant is. Ik zie dat punt dus gewoon niet. Nogmaals, als je kijkt naar de effectieve drukverlaging, naar wat we nu doen voor het bedrijfsleven in Nederland, dan zie je € 4 miljard aan tarieven, dat is fijn voor ze, en daarentegen € 3,6 miljard aan grondslagverbreding, dat is niet zo fijn voor ze. Per saldo is dat onder de streep gunstig voor het mkb en minder gunstig voor het grootbedrijf. Dus ik herken dit beeld toch minder.’
Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/63
Judoreg
NFB2217
Publicatiedatum
22 november 2018

X