Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(13)
  • Jurisprudentie(68)
  • Commentaar NLFiscaal(9)
  • Literatuur(83)
  • Recent(5)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

De staatssecretaris stelt geen cassatieberoep in tegen de volgende uitspraak van Hof Amsterdam 19 oktober 2021 (NLF 2021/2258, met noot van Van Strien).

X (bv; belanghebbende) heeft een positief valutaresultaat behaald op schulden aan in Argentinië gevestigde vennootschappen, waarin zij via haar gevoegde dochtermaatschappij belangen houdt. Zij heeft het positieve valutaresultaat van € 1.795.728 niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van haar belastbare winst op grond van artikel 10a, lid 1, Wet VpB 1969.

Evenals bij Rechtbank Noord-Holland (NLF 2020/1981, met noot van Van Strien) is in hoger beroep in geschil of X bij het bepalen van de belastbare winst ertoe gehouden is de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en onderdeel a, Wet VpB 1969 toe te passen. Zo ja, dan is tevens in geschil of dit tot gevolg heeft dat het door haar behaalde positieve valutaresultaat op een – in de zin van artikel 10a Wet VpB 1969 – besmette geldlening tot de belastbare winst moet worden gerekend.

Niet in geschil is dat de schulden waarop in 2015 een positief valutaresultaat van € 1.795.728 is behaald onder de reikwijdte van artikel 10a, lid 1, Wet VpB 1969 vallen.

Evenals de Rechtbank is Hof Amsterdam van oordeel dat in de onderhavige situatie uitsluitend de belastingplichtige gebruik kan maken van de tegenbewijsmogelijkheid van artikel 10a, lid 3, aanhef en onderdeel a, Wet VpB 1969 (tekst 2015). Het Hof oordeelt met de Rechtbank dat X met de beantwoording van de vragen van de Inspecteur in het kader van de aanslagregeling, waaronder die in de ingediende aangiften, geen beroep heeft gedaan op de tegenbewijsregeling. Hetgeen de Inspecteur dienaangaande in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

Toelichting besluit staatssecretaris

Hoewel kan worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van het Hof dat er bij de toepassing van artikel 10a Wet VpB 1969 andere bewijsregels gelden, is het belang van deze uitspraak voor andere gevallen beperkt als gevolg van de aanpassing van artikel 10a Wet VpB 1969 per 1 januari 2021. Door die aanpassing is het namelijk niet langer mogelijk dat artikel 10a Wet VpB 1969 (per saldo) leidt tot vrijstelling van valutawinst op een 10a-schuld.

Voor de periode tot 1 januari 2021 zal deze Hofuitspraak het uitgangspunt zijn bij de uitvoering van de zogenoemde dubbele zakelijkheidstoets en de zogenoemde compenserendeheffingstoets van artikel 10a, lid 3, Wet VpB 1969 door de Belastingdienst.

Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de Hofuitspraak niet betekent dat naar willekeur kan worden teruggekomen op een eerder gedaan beroep op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, Wet VpB 1969, teneinde alsnog een valutawinst vrij te stellen door toepassing van artikel 10a Wet VpB 1969.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2015
Instantie
MvF
Datum instantie
7 december 2021
Rolnummer
2021-0000252805
Auteur(s)
Jeroen van Strien
PKF Wallast/Vrije Universiteit/Radboud Universiteit
NLF-nummer
NLF 2021/2371
Aflevering
16 december 2021
Judoreg
NFB4705
bwbr0002672&artikel=10a,bwbr0002672&artikel=10a&lid=8

X