Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(3)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(47)
  • Commentaar NLFiscaal(4)
  • Literatuur(10)
  • Recent(6)

X (belanghebbende) is op 2 september 2015 in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met Y (hierna ook: erflater), met wie zij reeds 33 jaar een affectieve relatie had. X en erflater zijn op 19 oktober 2017 huwelijkse voorwaarden aangegaan, waarbij is overeengekomen dat erflater gerechtigd zal zijn tot 10% van zowel de schulden als de goederen van de gemeenschap en dat X gerechtigd zal zijn tot 90% van zowel de schulden als de goederen van de gemeenschap.

Erflater is op 9 december 2017 overleden. X is benoemd tot zijn enige erfgename. Zij heeft de erfenis zuiver aanvaard.

X heeft aangifte erfbelasting gedaan uitgaande van een verdeling van het gemeenschappelijke vermogen van 50% - 50%. Bij de aangifte is de aantekening gemaakt dat in het aangifteprogramma niet is voorzien in de verdeling 10% - 90%.

De Inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd, naar een belaste verkrijging van € 1.206.459 en uitgaande van een verdeling 50% - 50%.

X heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt omdat de Inspecteur voorbij is gegaan aan de aantekening op de aangifte dat sprake is van een verdeling 10% - 90%.

Rechtbank Noord-Holland (19/2137, ECLI:NL:RBNHO:2020:9677, NLF 2020/2796) heeft het beroep van X gegrond verklaard.

Tegen dit oordeel heeft de Inspecteur bij Hof Amsterdam hoger beroep ingesteld en het Hof verklaart dit gegrond. Het beroep van de Inspecteur op fraus legis slaagt. Anders dan het (geheel) ontgaan van erfbelasting is niet aannemelijk geworden dat er een andere reden was om de huwelijkse voorwaarden aan te gaan. Vast staat immers dat X daaraan voorafgaand al gerechtigd was tot dezelfde huwelijksgoederengemeenschap en bij ontbinding van het huwelijk door overlijden daartoe gerechtigd zou zijn als enig erfgenaam. Daar komt bij dat zijdens X is verklaard dat op het moment van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden erflater reeds ernstig ziek was. Uit dit laatste leidt het Hof af dat er ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden geen sprake was van enigszins gelijke levens- en sterftekansen; zo’n anderhalve maand na het aangaan van de huwelijkse voorwaarden is erflater ook daadwerkelijk overleden. De huwelijkse voorwaarden kunnen dan ook geacht worden te zijn aangegaan in het zicht van overlijden. Hierdoor is sprake van een bevoordeling van X die heeft plaatsgevonden binnen 180 dagen voor het overlijden van erflater die op één lijn moet worden gesteld met een schenking. Alsdan fingeert artikel 12 SW 1956 de bevoordeling tot een verkrijging krachtens erfrecht. Dit betekent dat met het opleggen van de aanslag de bevoordeling door de Inspecteur terecht in de aanslag erfbelasting is begrepen.

Rubriek(en)
Schenk- en erfbelasting
Belastingtijdvak
2017
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
4 januari 2022
Rolnummer
20/00804
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:96
Auteur(s)
Christa van Hoek
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF 2022/0359
Aflevering
17 februari 2022
Judoreg
NFB4835
bwbr0002226&artikel=1,bwbr0002226&artikel=12,bwbr0002226&artikel=12&lid=1,bwbr0002226&artikel=1,bwbr0002226&artikel=12

X