Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent
‘How precious the past is, how soon forgotten’ (Iris Murdoch)

Recent probeerde Paul de Haan tijdens een voorbespreking over de telefoon met diverse mensen over het 65-jarig jubileum van de NOB weer eens mensen warm te krijgen voor fiscale biografieën. De naam Jan van Soest viel. Een van zijn gespreksgenoten constateerde nuchter: ‘Niemand weet meer wie Jan van Soest is.’

Weet iemand nog wie literaire reus, recensent, moderator en Volkskrant-correspondent Michael Zeeman was? Lucht en leegte, zegt de Prediker, alles is leegte. Paul Scheffer publiceerde op 3 juli in de NRC een ontroerende column over zijn tien jaar geleden overleden vriend.

Uit eigen wetenschap weet ik dat de Engelse firma niet alleen de fusie tussen Price Waterhouse en Coopers & Lybrand uit 1998 viert, maar nog steeds ook de fusie tussen Price en Waterhouse uit 1864. Over traditie handelt een recent essay in The Economist, waarin men de schrijver Chesterton aanhaalt over de verwaarlozing van de doden en de arrogantie van de levenden: ‘Their respect for tradition means giving votes to the most obscure of all classes, our ancestors. It is the democracy of the dead (…). Tradition refuses to submit to the small and arrogant oligarchy of those who merely happen to be walking about.”1 Net als in Ezechiëls visioen, moet dode helden nieuwe adem ingeblazen worden,2 om zo stem te geven aan ‘the most obscure of all classes, our ancestors’. Het is geheel in overeenstemming met het eerste citaat in het recente boekwerk over 50 jaar vpb, niet toevallig van Jan Verburg afkomstig en uit de bijdrage van Rens Pieterse: ‘Wie het verleden kent, zal minder verrast zijn over het heden. Wie het verleden kent zal ook beter toegerust voor de toekomst’.3

Het lijkt me buiten twijfel dat (i) een beroepsgroep zijn helden niet wil vergeten en dat (ii) advocaat-generaal Jan van Soest een van die helden is. Jan van Soest begon als belastingadviseur, was werkzaam bij het VNO/NCW tot hij tot hoogleraar aan de UvA werd benoemd.4 Een zorgvuldig, behoedzaam en erudiet wetenschapper met een extra talent voor (het begeleiden van) talent. Van Dijck schrijft: ‘Beroemd is Van Soest vooral wegens de zorgzaamheid voor zijn studenten en voor het herkennen van hun kwaliteiten. Het moet in die tijd een genoegen geweest zijn om als goede student in de kweekvijver van Jan van Soest te kunnen rondzwemmen en tot fiscale wasdom te komen.’5 Een gids en navigator.6

Zij naam is – apocrief – verbonden met een van de meest geruchtmakende fiscale arresten ooit, HR 7 november 1973, 17.182, BNB 1974/2, het holding-arrest; ‘bedolven onder een stortvloed van kritiek’.7 Het verhaal gaat dat na het beruchte holding-arrest de Hoge Raad – toen gedomineerd door civilisten – een fiscale adviseur nodig had om het voor dit soort uitglijers te behoeden. Het verhaal klinkt te mooi om waar te zijn, en dat is het denk ik ook, maar het is wel prachtig verzonnen, en specifiek genoeg om indruk te maken. Het zou koren op de molen van Jan van Dijck – oud-hoogleraar Tilburg – zijn, die overigens niets tegen civilisten had, mits zij:

  1. ‘ophouden (laatdunkend) te denken dat zij generalisten zijn’;
  2. ‘bereid zijn zich met het belastingrecht te engageren op een hoger niveau dan het primitieve “al doende leert men”’;
  3. ‘kunnen bevroeden dat het belastingrecht zich op een geheel ander niveau afspeelt dan een onnozele civielrechtelijke burenruzie’;
  4. ‘beseffen dat het belastingrecht geen gelijke partijen kent, maar dat de burgers bescherming behoeven tegen een overmachtige overheid.’8

Dat de benoeming van Van Soest in een magistratelijke behoefte voorzag, mag men aannemen. Voor 1974 werden ook al conclusies genomen in belastingzaken, maar uiterst spaarzaam. Van Soest zelf licht dat toe in zijn artikel over het belastingparket in het Hoge Raad feestboek uit 1988. Uit de periode 1935-1974 zijn hem vier belastingconclusies bekend, waarvan er drie gepubliceerd zijn.9 Vaak handgeschreven stukjes papier. Een heel verschil met de afmetingen van tegenwoordig: een beetje conclusie loopt in de 70.000 woorden.

In vorenbedoeld holding-arrest gaf de Hoge Raad een verrassende uitleg aan de deelnemingsvrijstelling. Nederland begon al naam te maken als aantrekkelijke vestigingsplaats voor houdstermaatschappijen; hier en daar werd al een infokap-rulings avant la lettre afgegeven door het ministerie zelf. Het doorslaggevende geloofsartikel was de deelnemingsvrijstelling (een oase in de woestijn, volgens Brandsma/Hofman) die gemaakt leek voor de vrijgemaakte en verder vrij te maken wereld na Bretton Woods (1944); de plaats waar Amerika tegen ruimhartige betaling het wereldstokje over nam van het failliete Verenigd Koninkrijk.10

Het geloofsartikel werd ruim bemeten toegepast op lege of volle Nederlandse tussenhoudsters waaronder trossen (buitenlandse) dochtervennootschappen hingen. De wet kende toen ook al een uitzondering op de vrijstelling voor deelnemingen die als belegging werden aangehouden, het zag vooral op buitenlandse passieve dochters. Er was communis opinio dat zolang de buitenlandse deelneming maar een materiële onderneming dreef, er geen gevaar te duchten viel voor de toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling voor de Nederlandse (tussen)houdster. Die uitleg was geheel in overeenstemming met de parlementaire geschiedenis ter zake. Aan die gemoedsrust kwam met BNB 1974/2 een abrupt einde. De Hoge Raad besliste dat omdat de Nederlandse holding zelf geen materiële onderneming dreef, de buitenlandse dochter bijna per definitie als belegging werd aangehouden. Ergo: BNB 1974/2 is een van de eerste arresten over wat wij nu een brievenbusmaatschappij noemen.

Ik heb het genoegen gehad – tijdens een borrel van de Hoge Raad aan de Lange Houtstraat in Den Haag – de voorzitter van de kamer die BNB 1974/2 gewezen heeft te spreken over onder andere dit arrest. Ik dacht een bibberende jurist aan te treffen, geknakt door de fiscale hoon die hem ten deel was gevallen, maar de man was nog steeds zichtbaar trots op ‘zijn’ arrest. Het was een fraus-legis-achtige situatie geweest – zo zei hij – die niet meer in de inkomstenbelasting kon worden aangepakt, dus bleef de vennootschapsbelasting over als stok om de agressief ontwijkende hond te slaan. Het is vaker gezegd: recht is geen wiskunde. In casu tot verdriet van annotator Hofstra, die haarscherp zag dat de reorganisaties door belastingplichtige in BNB 1974/2 ingezet weinig anders om het lijf leken te hebben dan belast dividend om te zetten in onbelaste aflossing; een trapezewerkje dat in een ander roemrucht arrest (HR 27 december 1967, 15.772, BNB 1968/80) als misbruik werd gediskwalificeerd. Hofstra vond alleen niet dat men een IB-lek kon dichten met een onjuiste vpb-oplossing.

De vestigingsklimaat-lobby reageerde snel. In een resolutie (BNB 1975/11) werd het arrest zo veel mogelijk gerepareerd. Zolang de holding een wezenlijke functie had, daaronder begrepen een schakelfunctie als tussenhoudster tussen een actieve dochter en actieve (groot)moeder was er geen sprake van aanhouden ter belegging in de zin van de vennootschapsbelasting. Internationaal wilde men ieder risico uitsluiten. Het gaat per slot van rekening om duizenden miljarden aan deelnemingswaarden. De behoefte aan een verzekeringspolis was geboren: zie hier het begin van de rulingpraktijk. De ironie van de geschiedenis is dat de staatssecretaris recent een onderzoek heeft aangekondigd naar de vraag of ‘substanceloze’, dus lege tussenhoudsters wel van onze fiscale oase gebruik mogen blijven maken. Brandsma en Hofman menen dat, gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie,11 de Nederlandse overheid verplicht is misbruik te voorkomen en dus haast zal moeten maken met dit onderzoek. Misschien dat BNB 1974/2 een visionair arrest zal blijken te zijn. Zoals genoegzaam bekend, is de rulingpraktijk geëvolueerd van het Wilde Westen (als de ene inspecteur in Rotterdam geen ruling gaf, ging je naar die in Haarlem of andere stad) tot de sterk gecentraliseerde en gereguleerde opzet van de rulingpraktijk vanaf 1 juli 2019.

In een van zijn laatste interviews12 zegt Henk Hofstra het moderne gelddenken te verafschuwen. Literair heeft Elsschot – naast schrijver ook zakenman – als geen ander voor dit denken gewaarschuwd. ‘In Boorman,’ zegt Elsschot, ‘de hoofdpersoon van Lijmen, heb ik de moderne handelsgeest willen uitbeelden. Boorman bedriegt de mensen, neemt wat hij krijgen kan, speculeert op de domheid der reclaamzieke zakenlui, alles omdat de mensen hem daartoe in de gelegenheid stellen, omdat iemand als hij in een kapitalistische maatschappij eenvoudig niet anders kan.’13

Het is aan fiscalisten van nu om te begrijpen wat de wereld is, maar vooral wat de wereld aan het wórden is.14 Wij hebben ons als pioniers aan het voorfront van de globalisering gezet en daarvoor hadden we graag bonuspunten gekregen. Maar heeft het opportunistische gelddenken niet de overhand gekregen? Voor zelfreflectie is historische kennis van ons ambacht essentieel. En dus voor die mensen die dit vak vanuit het verleden vorm en inhoud hebben gegeven. Zoals recent de mooie biografische schets van Pieterse – wie anders - over H.J. Hellema. Alsof het niets is, geschreven in het kielzog van zijn geprezen proefschrift.15

Dus: een biografie over bijvoorbeeld Jan van Soest. Maar het onderwerp zelf zou er niet blij mee zijn. Fiscaal zou Jan van Soest het niet interessant genoeg vinden en een biografie vanuit privacyoverwegingen onwenselijk. Als je goed luistert, hoor je Jan vanuit zijn graf mompelen: ‘let but …’16

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Auteur(s)
Paul de Haan
De Haan advies
NLF-nummer
NLF Opinie 2019/35
Judoreg
NFB2643
Publicatiedatum
25 juli 2019

X