Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(11)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur
  • Recent(1)

X (bv; belanghebbende) treedt op als verzekeraar van een pensioen- en stamrechtaanspraak. A, geboren in 1950, is enig aandeelhouder van X. De ex-werkgever heeft aan A in 1999 een ontslagvergoeding toegekend van € 204.201, die is aangewend voor een stamrecht bij X. De ontslagvergoeding wordt jaarlijks opgerent met 5% gedurende de looptijd. Op basis van het opgerente stamrechtkapitaal zijn partijen in 2015 een tijdelijke lijfrente-uitkering overeengekomen met een looptijd van dertig jaar.

X heeft zich verder verplicht tot een jaarlijks ouderdomspensioen van in aanvang € 9.200. In de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van X van 1 september 2020 staat vermeld dat het ouderdomspensioen per 1 januari 2020 wordt gewijzigd naar € 8.305 per jaar.

De Inspecteur heeft aan X een navorderingsaanslag vpb 2016 opgelegd. Hij heeft de fiscale balanswaarde van de stamrechtverplichting berekend op € 301.917. De fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting heeft hij met inachtneming van 4% rekenrente en een jaarlijkse pensioenuitkering van € 8.305 berekend op € 119.620. Dit heeft geleid tot een gedeeltelijke vrijval van de pensioen- en stamrechtvoorziening van € 204.511.

In geschil is of de vrijval terecht in aanmerking is genomen.

Dat is volgens Rechtbank Den Haag en in hoger beroep Hof Den Haag het geval. Het Hof heeft geen ruimte om de waardering van de pensioen- en stamrechtverplichting op gronden van redelijkheid en billijkheid te baseren op een lagere nettorekenrente. Het is aan de wetgever een oplossing te bieden voor de discrepantie tussen de wettelijke rekenrente van artikel 3.29 Wet IB 2001 en de ontwikkeling in de marktrente. Aan de aanslagregeling met betrekking tot latere jaren kan voorts geen vertrouwen worden ontleend.

Het Hof bevestigt verder het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur het bezwaar van X tegen de aanslag vpb 2017 en de rentebeschikking 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het hoger beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2016-2017
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
5 april 2022
Rolnummer
21/01037; 21/01038
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:869
NLF-nummer
NLF 2022/1208
Aflevering
23 juni 2022
bwbr0011353&artikel=3.29,bwbr0011353&artikel=3.29

X