Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(54)
  • Commentaar NLFiscaal(3)
  • Literatuur(4)
  • Recent(3)

X (belanghebbende) is gehuwd geweest met A. In september 2014 is de echtscheiding uitgesproken tussen X en A.

X en A waren tot aan de verkoop in 2017 ieder voor de helft eigenaar van een gezamenlijke woning (hierna: de woning). X heeft in 2016 zonder haar ex-echtgenoot in de woning gewoond. In 2016 heeft X de volledige hypotheekrente van € 5.083 betaald die ziet op de woning.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of X recht heeft op aftrek van de hypotheekrente die betrekking heeft op het aandeel van A in de woning, omdat sprake is van een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 6.3, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001.

Hof Den Bosch beantwoordt de vraag ontkennend.

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat X tot aan de verkoop van de woning verplicht is om het aan A toerekenbare gedeelte van de hypotheekrente voor haar rekening te nemen. Het Hof leidt uit de echtscheidingsbeschikking af dat deze verplichting geen voorziening betreft in het levensonderhoud van A. De bepaling dat X tot het moment van verkoop van de woning de volledige hypotheekrente zou betalen kan redelijkerwijs niet anders worden gezien dan een betaling die samenhangt met de bewoning van de woning door X.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
Hof Den Bosch
Datum instantie
11 mei 2022
Rolnummer
21/00306
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:1473
NLF-nummer
NLF 2022/1102
Aflevering
9 juni 2022
bwbr0011353&artikel=6.3,bwbr0011353&artikel=6.3

X