Direct naar content gaan

Samenvatting

Woningcorporatie X (belanghebbende) heeft het renterisico van leningen met een variabele rente afgedekt met renteswaps. Zij moest als onderdeel van de renteswapverplichtingen onder omstandigheden voldoen aan zogenoemde aanvullende margin calls. Deze margin calls brachten mee dat, afhankelijk van de ontwikkeling van de rentecurve, liquiditeiten als onderpand moesten worden gestort bij de bank waarbij de renteswap was afgesloten. Als gevolg van de zeer lage marktrente legden de margin calls een zodanige last op de liquiditeiten van X dat zij in de loop van het jaar 2014 dreigde niet meer door een verplichte ‘stresstest’ met betrekking tot haar liquiditeitspositie te komen en daardoor haar status als woningcorporatie te verliezen. Zij heeft daarom in 2014 de renteswaps afgekocht en de onderliggende leningen met variabele rente geherfinancierd naar leningen met een vaste rente. Als gevolg daarvan betaalde zij na de afkoop en herfinanciering een lagere vaste rente dan de vaste swaprente daarvóór.

X wil de bij de afkoop betaalde bedragen (afkoopsommen) in één keer ten laste van haar fiscale winst brengen. Rechtbank Noord-Nederland heeft in een tussenuitspraak hierover vier prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Prejudiciële vragen 2 en 3 stellen aan de orde of in gevallen zoals dat van X goed koopmansgebruik verplicht tot het activeren en amortiseren van de afkoopsom van de renteswap.

De Hoge Raad beantwoordt deze vragen als volgt.

Bij (i) afkoop van een renteswap zoals die van X, die samenhangt met een variabel rentende lening in de zin van het arrest HR 8 november 2019, 18/01352, ECLI:NL:HR:2019:1721 (NLF 2019/2590, met noot van Russo), en waarbij het risico van margin calls wordt gelopen, en (ii) de daarmee verband houdende vervanging van de onderliggende variabel rentende lening door een vastrentende lening, verplicht goed koopmansgebruik niet ertoe het resultaat wegens afkoop van die renteswap te activeren en te amortiseren (beantwoording prejudiciële vraag 2).

Voor de beantwoording van prejudiciële vraag 2 is niet van belang (i) wat het motief tot afkoop is, (ii) of de nieuwe, vastrentende lening wordt aangegaan bij een andere bank dan de bank die de oorspronkelijke variabel rentende lening verstrekte en/of de bank met wie het renteswapcontract was afgesloten, en (iii) of de nieuwe situatie (vastrentende lening) uitsluitend wat rentelasten betreft een financieel voor- of nadeel oplevert ten opzichte van de oude situatie, dan wel per saldo een financieel voor- of nadeel oplevert (beantwoording prejudiciële vraag 3).

De beantwoording van prejudiciële vraag 2 brengt mee dat prejudiciële vraag 4 geen beantwoording behoeft.

Met de beantwoording van prejudiciële vragen 2 en 3 heeft de Hoge Raad een voldoende kader gegeven voor de beslissing van de Rechtbank in de onderhavige zaak. Daarom behoeft de veel algemener geformuleerde prejudiciële vraag 1 niet te worden beantwoord.

Anders, Conclusie A-G Wattel (NLF 2021/1147, met noot van Bruins Slot).

Metadata

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2014
Instantie
HR
Datum instantie
25 februari 2022
Rolnummer
21/00564
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:312
Auteur(s)
prof. mr. dr. R. Russo
Tilburg University/Belastingdienst
NLF-nummer
NLF 2022/0493
Aflevering
10 maart 2022
Judoregnummer
JCDI:NFB4867
bwbr0002672&artikel=8&lid=1,bwbr0011353&artikel=3.25,bwbr0002672&artikel=8&lid=1,bwbr0011353&artikel=3.25

Naar de bovenkant van de pagina