Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(43)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(1)
  • Recent(4)

X (belanghebbende) had in 2015 het recht van erfpacht van een recreatiewoning (hierna: de woning) in de gemeente Ommen. De woning is gelegen op een recreatieterrein, maar is niet onderdeel van een recreatiesamenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onderdeel e, Wet WOZ. De WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2015 is hoger dan € 140.000. Gelet op deze waarde is aan X een aanslag forensenbelasting 2015 opgelegd van € 1.620.

Voor Hof Den Haag was onder meer in geschil of de Verordening forensenbelasting 2015 van de gemeente Ommen, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, voor de toepassing van de heffingsmaatstaf en de daarbij gehanteerde tarieven onderscheid maakt tussen gemeubileerde woningen op de grond dat zij al dan niet onderdeel zijn van een recreatiesamenstel.

Het Hof heeft geoordeeld dat gemeubileerde woningen die deel uitmaken van een recreatiesamenstel, vergelijkbaar zijn met andere gemeubileerde woningen die in dezelfde tariefklasse vallen, maar die geen deel uitmaken van een recreatiesamenstel. Bij het beschikbaar houden van eerstgenoemde woning wordt, ongeacht de waarde ervan, een bedrag van € 225 aan forensenbelasting geheven, terwijl bij het beschikbaar houden van laatstgenoemde woning een bedrag van minimaal € 755 wordt geheven. Volgens het Hof bestaat geen rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling en leidt het tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Het Hof heeft de ongelijke behandeling weggenomen door de aanslag te verlagen tot een bedrag van € 225.

Het college van B en W heeft met zeven middelen cassatieberoep ingesteld.

De middelen slagen voor zover deze zijn gericht tegen het oordeel van het Hof dat de aanslag is strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

De gemeentelijke wetgever is bij de invoering van het onderscheid tussen woningen die wel en woningen die niet onderdeel uitmaken van een recreatiesamenstel, uitgegaan van de ervaringsregel dat eerstgenoemde woningen anders dan laatstgenoemde woningen een aanmerkelijk lagere waarde hebben dan € 60.000. De gemeente mocht in redelijkheid van deze ervaringsregel uitgaan, aldus de Hoge Raad. De redelijkheid van zo’n uitgangspunt valt of staat namelijk niet bij wat achteraf komt vast te staan over de volledige feitelijke juistheid ervan. Voorts kan in de ervaringsregel de benodigde steun worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. In deze ervaringsregel komt namelijk tot uitdrukking dat woningen die onderdeel zijn van een recreatiesamenstel en andere woningen feitelijk niet gelijk zijn.

X heeft voor het Hof ook aangevoerd dat de aanslag in strijd is met het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, mede met het oog op artikel 1 EP. In de bestreden uitspraak is op die stellingen geen gemotiveerde beslissing gegeven. Daarin ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor verwijzing van de zaak omdat het Hof deze stellingen slechts had kunnen verwerpen.

Anders: Conclusie A-G IJzerman (NLF 2021/0082, zie de noot van Froentjes in NLF 2021/0021 bij de gelijkluidende conclusie).

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2015
Instantie
HR
Datum instantie
4 juni 2021
Rolnummer
20/00972
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:648
NLF-nummer
NLF 2021/1153
Aflevering
10 juni 2021
Judoreg
NFB4375
bwbr0005416&artikel=223

X