Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(39)
  • Internationale regelgeving(168)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(101)
  • Jurisprudentie(115)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur(74)
  • Recent(3)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(9)

Over het belastingjaar 2007 heeft X (bv; belanghebbende) voor de overdrachtswinst die was gerealiseerd bij de inbreng van een onroerend goed in andere bv’s, op advies van zijn belastingadviseurs een beroep gedaan op de bedrijfsfusiefaciliteit van artikel 14, lid 1, Wet VpB 1969. Na een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst dit beroep niet geaccepteerd en is aan X op 22 oktober 2011 alsnog een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd ter hoogte van € 1.074.571. Daarbij is tevens een bedrag van € 165.074 aan heffingsrente in rekening gebracht.

X heeft tegen deze naheffing bezwaar gemaakt, maar dat werd afgewezen. Ook het door X ingestelde beroep en hoger beroep bleven zonder succes. Zowel Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2014:13209) als Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2015:1720) oordeelden dat X er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij zakelijke overwegingen had om een bedrijfsfusie te laten plaatsvinden. Daarbij is door de Rechtbank en het Hof in de overwegingen meegenomen dat op 12 februari 2007, toen werd besloten tot de bedrijfsfusie, reeds sprake was van een op handen zijnde verkoop van de onroerendgoedportefeuille. De bedrijfsfusie van 7 maart 2007 moet daarom volgens de Rechtbank en het Hof geacht worden in overwegende mate gericht te zijn geweest op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De winst behaald met de overdracht van het onroerend goed is daarom naar het oordeel van de Rechtbank en het Hof terecht bij X in het onderhavige jaar in aanmerking genomen.

Op 22 juli 2015 heeft X de maatschap van belastingadviseurs aansprakelijk gesteld voor de geleden schade. Hof Den Bosch weegt de goede en kwade kansen af dat X in de hypothetische situatie gebruik had kunnen maken van de bedrijfsfusiefaciliteit en aldus onbelast de aandelen aan een derde had kunnen verkopen (HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491, Deloitte/Hassink). Het Hof schat daarbij het risico dat de Belastingdienst ook in de hypothetische situatie tot een boekenonderzoek en een fiscale aanslag zou zijn gekomen op 50%. Volgens het Hof bedraagt de door X geleden schade daarom 50% van € 1.074.571. Dit komt neer op een bedrag van € 537.285,50. Ook de heffingsrente komt voor 50% voor vergoeding in aanmerking, te weten 50% van € 165.074 = € 82.537.

Rubriek(en)
Civiel recht
Belastingtijdvak
2007
Instantie
Hof Den Bosch
Datum instantie
28 december 2021
Rolnummer
200.278.747/01
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2021:3864
,

X