Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(43)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(1)
Een BV bezat 100% van de aandelen in E (BV), met wie zij tot 1 maart 2007 een fiscale eenheid voor de Vpb vormde.
Voorafgaand aan de verbreking van de fiscale eenheid per 1 maart 2007, heeft de BV haar onroerendezakenportefeuille ingebracht in E tegen uitreiking van aandelen.
In datzelfde jaar heeft de BV de aandelen in E verkocht aan een derde.
In geschil is of de fusiefaciliteit van art. 14, lid 1, Wet Vpb van toepassing is op de met de inbreng van de onroerendezakenportefeuille in E behaalde winst.
Niet (meer) in geschil is dat de onroerendezakenportefeuille kwalificeert als een onderneming dan wel zelfstandig onderdeel van een onderneming in de zin van de fusiefaciliteit.
Nu de BV de aandelen in E aan een derde heeft verkocht binnen drie jaar na de inbreng, worden voor de bedrijfsfusie geen zakelijke overwegingen aanwezig geacht, tenzij de BV het tegendeel aannemelijk maakt.
Zij is hierin niet geslaagd, oordeelt Rechtbank Den Haag.
De Rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat al vóórdat was besloten tot verkoop van de onroerendezakenportefeuille, wilsovereenstemming was bereikt tussen de BV en E tot inbreng van de onroerendezakenportefeuille.
Om deze reden kan ook het beroep van de BV op het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2009, nr. 43.409, ECLI: NL:HR:2008:AZ8531 niet slagen.
Nu er geen zakelijke overwegingen aan de fusie ten grondslag liggen, moet het er voor gehouden worden dat de bedrijfsfusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, waardoor de fusiefaciliteit niet van toepassing is.
Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2007
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum instantie
24 september 2014
Rolnummer
13/9326
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2014:13209
bwbid=bwbr0&artikel=14

X