Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

Het gaat in dit geding om een aan X (belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting, in welke aanslag een verhoging van de nageheven belasting is begrepen van 100%.
X is in bezwaar door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Hof Arnhem heeft het hiertegen ingestelde beroep verworpen.
Tegen die beschikking heeft X verzet gedaan bij het Hof, stellende dat hij het betrokken aanslagbiljet niet had ontvangen, zodat de termijnoverschrijding niet aan hem is te wijten. Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard, daartoe overwegende dat X zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.
Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond.
Het bij navordering of naheffing van belasting opleggen van een verhoging moet worden aangemerkt als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM. De belastingplichtige aan wie zulk een verhoging is opgelegd, heeft derhalve aanspraak op eerbiediging van de door genoemd artikel aan de verdachte toegekende rechten, daaronder begrepen het recht om de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging te onderwerpen aan beoordeling, met inachtneming van de in dat artikel neergelegde waarborgen, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die is ingesteld bij de wet.
Ingeval de belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd, stelt dat de termijnoverschrijding aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten, terwijl omtrent de juistheid van die stelling in rechte geen zekerheid valt te verkrijgen, is eerbiediging van zijn recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd wanneer die onzekerheid – gelijk bij de in cassatie bestreden uitspraak is geschied – voor zijn risico wordt gebracht. In zodanig geval zou immers de mogelijkheid open blijven dat de belastingplichtige als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid verstoken blijft van zijn recht om het opleggen van de verhoging aan het oordeel van de rechter te onderwerpen. Derhalve moet de regel volgens welke een na afloop van de gestelde termijn gemaakt bezwaar c.q. ingesteld beroep niet-ontvankelijk is, buiten toepassing blijven indien de belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd, stelt dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen; de niet-ontvankelijkheid kan alsdan slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
16 maart 1983 t/m 30 november 1983
Instantie
Hoge Raad
Datum instantie
22 juni 1988
Rolnummer
24.998
ECLI
ECLI:NL:HR:1988:ZC3854
bwbr0002320&artikel=26

Naar de bovenkant van de pagina