Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving(2)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(99)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(2)
  • Recent(13)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

X (bv; belanghebbende) heeft in de periode juli 2017 tot en met december 2017 dertig auto’s uit andere EU-lidstaten ingevoerd en op aangifte BPM voldaan. De auto’s waren in januari of februari 2017 in een andere lidstaat voor het eerst toegelaten op de weg, maar daarna niet of nauwelijks gebruikt. Ten tijde van registratie in het Nederlandse kentekenregister waren de auto’s daarom niet aan te merken als gebruikte personenauto’s in de zin van de artikel 10 Wet BPM.

Hof Den Haag heeft geoordeeld dat X voor de dertig auto’s niet met een beroep op artikel 110 VWEU de toepassing van het tarief van 2016 kan afdwingen. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat tijdens de periode waarin de dertig auto’s voor het eerst in Nederland zijn geregistreerd, te weten juli 2017 tot en met december 2017, van alle in diezelfde periode in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte en geregistreerde nieuwe personenauto’s BPM wordt geheven naar het tarief van 2017. De door X bepleite, in al haar onderdelen toe te passen vergelijkingsmethodiek, geldt naar het oordeel van het Hof niet voor in het buitenland aangekochte nieuwe personenauto’s.

X heeft met één middel cassatieberoep ingesteld. Het middel betoogt dat de mededinging op de Nederlandse handelsmarkt van personenauto’s die voor de heffing van BPM niet als gebruikt worden aangemerkt, door de werking van de regeling van artikel 16a, lid 1, Wet BPM wordt verstoord, en dat hierdoor een op grond van artikel 110 VWEU verboden discriminerende werking optreedt.

De Hoge Raad oordeelt dat het onderscheid dat artikel 16a, lid 1, Wet BPM met betrekking tot de tarieftoepassing maakt tussen personenauto’s, al naar gelang zij voor of na de inwerkingtreding van een tariefverhoging in het Nederlandse kentekenregister zijn ingeschreven, met ingang van het jaar 2012 evident van redelijke grond is ontbloot. Het vormt daardoor sindsdien een discriminatie die in strijd is met artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM en artikel 1, lid 1, Twaalfde Protocol bij het EVRM.

Voor rechtsherstel bestaan verschillende alternatieven. De keuze daartussen is in beginsel voorbehouden aan de wetgever. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om bij het onderhavige rechtstekort van dat beginsel af te wijken en rechtsherstel te bieden.

Voor ingrijpen van de rechter kan wel aanleiding bestaan indien de wetgever na kennisneming van een arrest waarin de Hoge Raad discriminatie vaststelt, nalaat zelf een regeling te treffen die deze discriminatie opheft. In dit verband verdient opmerking dat de wetgever de onderhavige discriminatie met ingang van het jaar 2022 heeft opgeheven doordat de belasting voor een personenauto sindsdien in beginsel wordt geheven ter zake van de inschrijving van die auto in het Nederlandse kentekenregister, en in verband daarmee de tegemoetkoming van artikel 16a, lid 1, Wet BPM is afgeschaft. De Hoge Raad oordeelt dat niet kan worden gezegd dat deze nieuwe regeling evident van redelijke grond is ontbloot. Er is geen aanleiding om met ingang van het jaar 2012 op grond van het verbod van discriminatie het niet langer gerechtvaardigde tariefvoordeel uit te breiden tot nieuwe personenauto’s die meer dan twee maanden na de inwerkingtreding van een tariefverhoging op naam worden gesteld.

De Hoge Raad komt verder tot het oordeel dat het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU bij nieuwe personenauto’s door de regeling van artikel 16a, lid 1, Wet BPM niet wordt geschonden. Het middel faalt derhalve.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.

Conform Conclusie A-G Wattel (NLF 2022/0961) en aanvullende Conclusie (NLF 2022/1002).

Rubriek(en)
Autobelastingen
Belastingtijdvak
2017
Instantie
HR
Datum instantie
3 juni 2022
Rolnummer
20/03704
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:826
Auteur(s)
Micha Soltysik
BTW Nederland/Rechter-plaatsvervanger Rechtbank Zeeland-West-Brabant
NLF-nummer
NLF 2022/1245
Aflevering
30 juni 2022
Judoreg
NFB5099
bwbr0005806&artikel=16a,bwbr0005806&artikel=16a,bwbv0001000&artikel=14,bwbv0001000&artikel=14,bwbv0001506&artikel=110,bwbv0001506&artikel=110

X