Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(212)
  • Commentaar NLFiscaal(16)
  • Literatuur(47)
  • Recent(11)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(4)

X (bv; belanghebbende) heeft in 2006 samen met een bedrijf een raamovereenkomst gesloten voor het verstrekken van leningen aan een gezamenlijk op te richten dochtervennootschap. In 2012 en 2013 heeft X aan de deelneming individuele leningen verstrekt tot een totaalbedrag van € 199.500. In haar aangifte vpb 2016 is deze vordering voor een bedrag van € 199.499 afgewaardeerd.


De Inspecteur heeft de afwaardering met € 199.949 gecorrigeerd, omdat de leningen volgens hem onzakelijk zijn.


Rechtbank Gelderland is het met de Inspecteur eens. De zakelijkheid van de leningen moet worden beoordeeld naar het moment dat de leenovereenkomsten in 2012 en 2013 tot stand kwamen. De volgende omstandigheden zijn hierbij van belang. Hoewel een rente van 6% was overeengekomen, heeft de deelneming deze de facto niet betaald. Daarnaast zijn er doorgaans geen aflossingsschema’s overeengekomen en heeft de deelneming de leningen ook overigens niet afgelost. Verder verkeerde de deelneming ten tijde van het verstrekken van de leningen in een slechte financiële positie. X heeft geen zekerheden bedongen, terwijl de bank niet bereid was een lening aan de deelneming te verstrekken zonder (aanvullende) zekerheden. Dat de verwachting, zoals X stelt, gerechtvaardigd was dat de deelneming in de (nabije) toekomst winstgevend zou worden, is niet onderbouwd. De Rechtbank acht ook niet aannemelijk dat in een situatie als hier aan de orde het aanzienlijke debiteurenrisico gecompenseerd kon worden in de vorm van bijvoorbeeld een hogere rente, anders dan door een rente die van de winst afhankelijk is. Voorts oordeelt de Rechtbank dat er ook geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden waardoor de leningen niet onzakelijk zouden zijn.


Aangezien de Inspecteur een te hoge correctie heeft toegepast (€ 199.949 in plaats van € 199.499), verklaart de Rechtbank het beroep op dit punt gegrond.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
4 oktober 2021
Rolnummer
20/132
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2021:5248
bwbr0002672&artikel=8

X