Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving(1)
  • Besluiten(17)
  • Jurisprudentie(323)
  • Commentaar NLFiscaal(8)
  • Literatuur(27)
  • Recent(17)
  • Softlaw(10)

X (bv c.s.; belanghebbende) houdt zich bezig met zogenoemde ‘market making’ en handel in financiële instrumenten. De activiteiten worden uitgeoefend binnen verschillende handelsdesks. Deze handelsdesks opereren op handelsbeurzen in en buiten de EU. De afnemers van de door X verrichte prestaties zijn ook zowel binnen als buiten de EU gevestigd, onder meer in het VK.


X heeft drie dochtervennootschappen, die in verschillende landen zijn gevestigd. Zij verleent aan haar dochtervennootschappen diensten, bestaande uit ‘support services’ en het ter beschikking stellen van software.


Voor zover het prestaties onder bezwarende titel zijn, verricht X vrijgestelde prestaties als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel i, onder 2°, Wet OB 1968. X heeft in het verleden met de Belastingdienst afspraken gemaakt over de pro rata voor de gemengde kosten. Bij deze afspraken is geen rekening gehouden met de van de dochtervennootschappen ontvangen betalingen.


X bepleit in deze procedure dat zij recht heeft op een hogere aftrek door wel rekening te houden met de van de dochtermaatschappijen ontvangen betalingen. In dit verband is in geschil of de afgesproken pro-rataberekening zijn grondslag vindt in de werkelijkgebruikmethode of de omzetmethode.


Volgens Rechtbank Noord-Holland heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de pro rata op basis van het werkelijk gebruik moet worden bepaald. X heeft niet aannemelijk gemaakt op welke wijze, uitgaande van die methode, rekening kan worden gehouden met de prestaties verricht aan de dochtervennootschappen.


Ten aanzien van 2020 stelt X tevergeefs dat het VK per 1 februari 2020 een derde land is zodat zij een hoger bedrag aan omzetbelasting in aftrek kan brengen. Het zogenoemde Terugtrekkingsakkoord kan niet anders worden begrepen dan dat het recht van de EU – voor zover relevant in dit geschil – van toepassing blijft op het VK tot 1 januari 2021. Dit betekent dat het VK geacht wordt tot die datum als lidstaat tot de EU te zijn blijven behoren.


Het beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
1 januari 2018 t/m 31 december 2020
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum instantie
5 november 2021
Rolnummer
19/3459;19/3460;19/3461;19/3462;20/5184;20/5185;20/5186;21/3591;21/3592;20/3593;20/3594
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:9978
NLF-nummer
NLF 2021/2244
Aflevering
25 november 2021
bwbr0002629&artikel=15,bwbr0002634&artikel=11

X