Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(56)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(2)
  • Recent(4)

In deze zaak is in cassatie in geschil of X (belanghebbende) de vereiste aangifte heeft gedaan en wat de waarde is van door X op 14 november 2006 verkregen certificaten van aandelen in een dochtervennootschap van zijn werkgever. Ter zake van het verkregen belang heeft X in de aangifte IB/PVV 2006 geen inkomen uit werk en woning vermeld. Hij stelt dat de verwerving van de certificaten van aandelen tegen de nominale waarde van € 10 per certificaat geen voordeel met zich brengt.

De Inspecteur heeft een navorderingsaanslag opgelegd, omdat hij van mening is dat de certificaten van aandelen een veel hogere waarde hadden dan de nominale waarde, namelijk € 2.265 per certificaat.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de bewijslast niet wordt verzwaard en omgekeerd vanwege het niet doen van de vereiste aangifte. Het heeft geoordeeld dat X een pleitbaar standpunt had ten aanzien van de waarde van de certificaten van aandelen omdat Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de Inspecteur er niet in is geslaagd een hogere waarde aannemelijk te maken. Weliswaar sluit het oordeel van de Rechtbank volgens het Hof niet uit dat er wel degelijk voordeel was, maar het Hof heeft in het oordeel van de Rechtbank ook gelezen het oordeel dat X, toen hij aangifte deed, een pleitbaar standpunt innam. Met toepassing van de normale bewijsregels heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de certificaten van aandelen in de dochtervennootschap op 14 november 2006 ten minste € 260 per certificaat bedroeg.

De staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld.

Door in zijn aangifte geen enkel voordeel uit het verwerven van de certificaten van aandelen in de dochtervennootschap op te nemen, heeft X volgens de staatssecretaris bewust de niet te verwaarlozen kans genomen dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Volgens het middel had X op dit punt niet een pleitbaar standpunt.

Het middel slaagt. Het oordeel van het Hof over een pleitbaar standpunt geeft volgens de Hoge Raad blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is onvoldoende gemotiveerd.

De staatssecretaris betoogt ook terecht dat het Hof ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de waarde van de certificaten op 14 november 2006. Door zich te beperken tot het oordeel dat aan de certificaten van aandelen op die datum een waarde kan worden toegekend van ten minste € 260 per certificaat, heeft het Hof verzuimd die waarde vast te stellen.

Ook X heeft cassatieberoep ingesteld, maar dit wordt met toepassing van artikel 81 Wet RO ongegrond verklaard.

De zaak is verwezen naar Hof Den Bosch.

Enigszins anders: Conclusie A-G Niessen (NLF 2019/2149, met noot van Werger).

In dit arrest komen zowel materieel- als formeelrechtelijke vraagstukken aan de orde. Het gaat om de waardering van certificaten van aandelen in een nieuw verworven dochtervennootschap in een private-equityfonds. De belanghebbende heeft gesteld dat de verwerving van zijn participatie tegen de nominale waarde geen voordeel met zich brengt. De Inspecteur heeft inkomstenbelasting nagevorderd en de waarde van de certificaten gesteld op € 2.265 per certificaat.

Waardebepaling verkregen aandelen

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2006
Instantie
HR
Datum instantie
29 mei 2020
Rolnummer
18/02266
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:970
Auteur(s)
Frank Werger
BDO
Dick Barmentlo
FT-advocaten
NLF-nummer
NLF 2020/1379
Aflevering
18 juni 2020
Judoreg
NFB3507
bwbr0002320&artikel=27e&lid=1

X