Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving(1)
  • Besluiten(17)
  • Jurisprudentie(315)
  • Commentaar NLFiscaal(8)
  • Literatuur(27)
  • Recent(17)
  • Softlaw(10)

X (belanghebbende) heeft in maart 2008 een nieuwbouw appartement gekocht dat omstreeks 8 oktober 2009 is opgeleverd. X heeft het appartement tot zijn ondernemingsvermogen gerekend en de omzetbelasting die aan hem in 2008 en 2009 ter zake van de bouw in rekening is gebracht (de voorbelasting op de bouw) op zijn aangiften teruggevraagd. Dit betreft een bedrag van € 33.529,41.


Volgens de Inspecteur is het appartement nooit zakelijk gebruikt. Daarom heeft hij de voorbelasting op de bouw die kon worden toegerekend aan de jaren 2014 tot en met 2018 herzien op de voet van artikel 13, lid 2, Uitv.besch. OB 1968 en nageheven. Rechtbank Den Haag laat de naheffingsaanslagen voor de jaren 2015 tot en met 2018 in stand.


Het beroep van X op het vertrouwensbeginsel slaagt uitsluitend voor zover het de naheffing voor het jaar 2014 betreft. Over dit jaar was namelijk al eerder geprocedeerd.


Anders dan X betoogt, oordeelt de Rechtbank dat de redelijke termijn niet is overschreden. Hij heeft daarom geen recht op een immateriële schadevergoeding.

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2014 t/m 2018
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum instantie
26 mei 2021
Rolnummer
19/5944
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:7700
NLF-nummer
NLF 2021/2130
Aflevering
11 november 2021
bwbr0002629&artikel=15,bwbr0002634&artikel=13&lid=2

X