Direct naar content gaan

Samenvatting

De onderhavige verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen.

Zaak C 46/20 heeft betrekking op Z (Duitsland), die een fotovoltaïsche installatie heeft laten bouwen. De door de installatie opgewekte stroom werd gebruikt voor eigen gebruik en gedeeltelijk doorverkocht aan een energieleverancier. In zijn met vertraging ingediende jaaraangifte omzetbelasting 2014 heeft Z de ter zake van de bouw in rekening gebrachte voorbelasting teruggevraagd, maar niet gekregen omdat Z niet tijdig had beslist om het goed voor bedrijfsdoeleinden te bestemmen.

Zaak C 45/20 heeft betrekking op E (Duitsland), die een steigerbouwbedrijf exploiteert. Hij heeft in 2015 een bedrijfsmatig gebruikte werkkamer (hierna: kantoor) laten bouwen in een verder privé gebruikte eengezinswoning. Het verzoek om aftrek van de voorbelasting die is betaald voor de bouw van het kantoor is geweigerd omdat E niet tijdig heeft beslist om het goed voor bedrijfsdoeleinden te bestemmen.

Met het oog op het arrest Gmina Ryjewo (NLF 2018/1742, met noot van Van Helden). is de vraag gerezen of de tot nu toe door het Bundesfinanzhof ontwikkelde en toegepaste criteria voor het uitoefenen van het keuzerecht van de bestemming verenigbaar zijn met het Unierecht. Het Bundesfinanzhof heeft hierover in beide zaken prejudiciële vragen gesteld.

Het HvJ verklaart in antwoord op de vragen het volgende voor recht:

Artikel 168, onderdeel a, Btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 167 Btw-richtlijn, verzet zich niet tegen nationale bepalingen die door een nationale rechter op zodanige wijze worden uitgelegd dat wanneer een belastingplichtige over het recht beschikt om een goed te bestemmen voor bedrijfsdoeleinden en de bevoegde nationale belastingdienst uiterlijk bij het verstrijken van de wettelijke termijn voor de indiening van de jaaraangifte omzetbelasting geen dergelijke bestemming van dit goed heeft kunnen vaststellen middels een uitdrukkelijke keuze of voldoende aanwijzingen in deze zin, deze dienst het recht op aftrek van de btw op dat goed kan weigeren door aan te nemen dat het bestemd is voor privédoeleinden van de belastingplichtige, tenzij uit de concrete juridische regels op grond waarvan gebruik kan worden gemaakt van deze mogelijkheid, blijkt dat dit niet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2014-2015
Instantie
HvJ
Datum instantie
14 oktober 2021
Rolnummer
C‑45/20; C‑46/20
ECLI
ECLI:EU:C:2021:852
Auteur(s)
Barry Willemsen
Belastingdienst
NLF-nummer
NLF 2021/1964
Aflevering
21 oktober 2021
Judoreg
NFB4585
bwbr0002629&artikel=7&lid=1,bwbr0002629&artikel=7&lid=2,bwbr0002629&artikel=15&lid=1,bwbr0002629&artikel=15&lid=4,bwbr0002629&artikel=15&lid=4,celex32006l0112&artikel=167,celex32006l0112&artikel=168,celex32006l0112&artikel=167,celex32006l0112&artikel=168

Naar de bovenkant van de pagina