Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(4)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(19)
  • Jurisprudentie(236)
  • Commentaar NLFiscaal(7)
  • Literatuur(51)
  • Recent(13)
  • Soft Law(19)

Vof X (belanghebbende) exploiteert een kwekerij en kwalificeert in verband hiermee als btw-ondernemer. X heeft alle voorbelasting in aftrek gebracht voor een woning die haar vennoten – in gemeenschap van goederen gehuwde echtelieden – tussen 2008 en 2011 hebben laten bouwen en die in 2011 in gebruik is genomen. De facturen in verband met de bouw zijn gericht aan de vennoten/echtelieden. Een deel van de woning wordt voor bedrijfsdoeleinden van de vof gebruikt, in het andere deel wonen de vennoten.

In geschil is of X omzetbelasting is verschuldigd vanwege het privégebruik van de woning.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden doet zich in de onderhavige casus hetzelfde voor als in de zaak die heeft geleid tot het Champignonkwekerij-arrest (HR 30 oktober 2015, 14/03007, ECLI:NL:HR:2015:3175). De woning is in opdracht van de twee firmanten gebouwd, de woning is eigendom van deze twee firmanten en wordt door deze firmanten bewoond, en zij staan X toe een deel van de woning voor bedrijfsdoeleinden te gebruiken. Volgens het Hof heeft niet X maar hebben de echtgenoten de feitelijke beschikkingsmacht over de woning. X heeft de woning volgens het Hof ten onrechte tot haar bedrijfsvermogen gerekend. Omdat de woning niet tot haar bedrijfsvermogen behoort, is X geen omzetbelasting verschuldigd wegens het privégebruik van de woning door beide firmanten.

De staatssecretaris van Financiën heeft cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dat gegrond.

In dit geval staat vast dat de echtgenoten de vennoten zijn van X en dat zij gezamenlijk het pand hebben laten bouwen op grond die bij hen in gemeenschappelijke eigendom is. Voor het Hof diende als uitgangspunt te zijn dat X bevoegd was om over het pand te beschikken als ware zij eigenaar. Uit het Champignonkwekerij-arrest kan niet iets anders worden afgeleid. De oordelen van het Hof geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad doet de zaak af. Aangezien X het pand mede heeft gebruikt voor bedrijfsdoeleinden en alle voorbelasting die in verband met het pand in rekening is gebracht, in aftrek heeft gebracht, is het pand gaan behoren tot het bedrijfsvermogen. Daaraan staat niet in de weg dat de facturen op naam van (een van) de echtgenoten zijn gesteld. X heeft het pand in 2015 mede voor andere dan bedrijfsdoeleinden gebruikt, te weten privégebruik door de echtgenoten. Daarom is X ter zake van dat gebruik omzetbelasting verschuldigd op grond van artikel 4, lid 2, onderdeel a, Wet OB 1968.

Anders, Conclusie A-G Ettema (NLF 2020/1982, met noot van Gelderblom).

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
4e kwartaal 2015
Instantie
HR
Datum instantie
17 december 2021
Rolnummer
19/05647
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1836
Auteur(s)
Werner Gelderblom
PwC
NLF-nummer
NLF 2022/0006
Aflevering
6 januari 2022
Judoreg
NFB4728
bwbr0002629&artikel=4,bwbr0002629&artikel=4&lid=2,bwbr0002629&artikel=7&lid=1,bwbr0002629&artikel=15&lid=1,bwbr0002629&artikel=4

X