Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(3)
  • Jurisprudentie(28)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur(6)
  • Recent(3)

Werknemers van X (bv; belanghebbende) die lid zijn van de Groepsraad hebben in het kader van een aandelenplan om niet aandelen netto toegekend gekregen. X heeft de aandelen aangewezen als eindheffingsbestanddeel in de zin van de werkkostenregeling. De Inspecteur heeft de aanwijzing niet gevolgd en een naheffingsaanslag LB opgelegd.

Na verwijzing door de Hoge Raad moest verwijzingshof Den Haag opnieuw de vraag behandelen of aan de gebruikelijkheidstoets van artikel 31, lid 1, aanhef en onderdeel f, Wet LB 1964 is voldaan. De Inspecteur heeft na verwijzing een vragenlijst aan 88 bedrijven gezonden. Het verwijzingshof heeft de stelling verworpen dat de Inspecteur met de uitvraag zijn bevoegdheid op grond van artikel 53 AWR oneigenlijk heeft gebruikt. Aan de uitkomst van de uitvraag moet volgens het Hof waarde worden gehecht voor de beantwoording van de vraag of het gebruikelijk is dat andere werkgevers de hier aan de orde zijnde loonbestanddelen verstrekken en als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling aanwijzen.

De uitkomst van de uitvraag is dat er maar één bedrijf/concern is dat een bonusregeling kent, die dat bedrijf/concern heeft aangewezen voor de toepassing van de werkkostenregeling. Deze bonusregeling is wat betreft de omvang van de nettoverstrekking niet vergelijkbaar (de bedragen zijn beperkt van € 500 tot € 1.250) met de bonussen die X aan leden van de Groepsraad verstrekt. Verder dient daarbij in ogenschouw te worden genomen dat binnen het concern van X de werknemers/niet-leden van de Groepsraad weliswaar bonussen krijgen, maar dat het niet gebruikelijk is dat zij die in de vorm van aandelen tot de omvang als hier aan de orde krijgen. Het verwijzingshof is tot de slotsom gekomen dat de door X verstrekte aandelen niet kwalificeren als eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, lid 1, aanhef en onderdeel f, Wet LB 1964.

X heeft met drie middelen cassatieberoep ingesteld. De onderhavige conclusie van A-G Niessen heeft betrekking op de zaak van X en van vier andere vennootschappen die deel uitmaken van het concern.

Volgens de A-G falen alle middelen en dient de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

Rubriek(en)
Loonbelasting
Belastingtijdvak
2012-2013
Instantie
A-G
Datum instantie
21 juni 2021
Rolnummer
20/03229; 20/03233; 20/03234; 20/03235; 20/03237
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:631
Auteur(s)
Frank Werger
BDO
NLF-nummer
NLF 2021/1684
Aflevering
2 september 2021
Judoreg
NFB4517
bwbr0002320&artikel=53,bwbr0002471&artikel=31&lid=1

X