Direct naar content gaan

Gerelateerde content

  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Samenvatting

Een importeur die antidumpingrechten heeft betaald, procedeert tot aan het HvJ omdat hij van mening is dat de verordening waarbij de rechten zijn ingesteld ongeldig is. Het HvJ stelt de importeur in het gelijk en verklaart de verordening ongeldig. Een andere importeur (X, bv, belanghebbende) verzoekt om terugbetaling van de antidumpingrechten die zij heeft betaald en die op grond van de ongeldig verklaarde verordening zijn geheven. Na het arrest van het HvJ start de Europese Commissie (de Commissie) een procedure om het gebrek in de verordening te herstellen. De Commissie verbiedt bij verordening de douaneautoriteiten van de lidstaten over te gaan tot terugbetaling van de rechten zolang de (heropenings)procedure loopt tot herstel van het bedoelde gebrek. Vervolgens komt de Commissie met een nieuwe verordening waarbij de antidumpingrechten opnieuw en met terugwerkende kracht worden ingesteld. X krijgt geen terugbetaling van de rechten, althans niet van de Inspecteur, Rechtbank Noord-Holland en Hof Amsterdam. In deze conclusie onderzoekt A-G Ettema of deze gang van zaken door de beugel kan. De A-G concludeert dat de voorgestelde middelen falen en geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep van X ongegrond te verklaren.

Metadata

Rubriek(en)
Douane
Belastingtijdvak
2006-2011
Instantie
A-G
Datum instantie
30 juni 2022
Rolnummer
21/00843
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:646

Naar de bovenkant van de pagina