Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Procederen tegen WOZ-beschikkingen is nog net geen nationale volkssport, maar het komt in de buurt. Het aantal WOZ-zaken waarover wordt geprocedeerd is elk jaar weer enorm en wellicht gaat dat straks nog fors toenemen. Dat komt omdat het kabinet ervoor wil gaan zorgen dat alle belanghebbenden volgens de Wet WOZ een goede rechtsbescherming hebben. Dat is dan ook het doel van een wijziging van de Wet WOZ waarover op 20 december 2018 een internetconsultatie (https://www.internetconsultatie.nl/rechtsbeschermingwoz) is gestart en die loopt tot 1 maart 2019. De voorgestelde wetswijziging tot de invoering van een zaakgebonden WOZ-beschikking is onder andere van belang als er sprake is van tegengestelde belangen. De vraag is of de door het kabinet voorgenomen wetswijziging een vloek of een zegen is.

Problemen bij de huidige Wet WOZ

Op grond van de Wet WOZ wordt een waarde toegekend aan onroerende zaken zoals woningen en bedrijfspanden. Daarbij kunnen sommige belanghebbenden, zoals een verhuurder of een verkoper van een woning, een belang hebben bij een hogere WOZ-waarde. Voor andere belanghebbenden, zoals een huurder of eigenaar, is juist een lagere WOZ-waarde van belang. De huidige wet is niet voldoende ingericht op die tegengestelde belangen, die zich zo nu en dan voordoen in de praktijk. In de door het kabinet voorgestelde wetswijziging wordt voorgesteld om slechts één WOZ-beschikking per pand te hebben die voor alle belanghebbenden geldt. Dat leidt tot de mogelijkheid van één juridische procedure voor alle betrokkenen. Een definitief vastgestelde WOZ-waarde is dan voor iedereen bindend.

Tegengestelde belangen

Bij het (uitsluitende) gebruik van de WOZ-waarde voor de belastingheffing zullen belanghebbenden in de regel baat hebben bij een lagere WOZ-waarde. Een lagere WOZ-waarde betekent immers minder belastingheffing. Met het gebruik van de WOZ-waarde voor niet-fiscale doeleinden kan een belanghebbende onder omstandigheden ook gebaat zijn bij een hogere WOZ-waarde. Te denken valt aan de verhuurder van een sociale huurwoning die meer huur kan vragen naarmate de WOZ-waarde hoger is. Als uitvloeisel hiervan is met ingang van 1 oktober 2015 uitdrukkelijk de mogelijkheid gecreëerd om ook in geval van een niet-fiscaal belang een WOZ-beschikking op te kunnen vragen en om hiertegen bezwaar te kunnen maken gericht op een hogere WOZ-waarde.

Door deze ontwikkelingen kan evenwel ook de situatie ontstaan dat belanghebbenden een tegengesteld belang hebben bij de waardevaststelling van een onroerende zaak. De huidige wetgeving is hier echter nog onvoldoende op aangepast met onduidelijkheid en in bepaalde gevallen een ontoereikende rechtsbescherming tot gevolg.

Het consultatievoorstel

Met het consultatievoorstel wordt dan ook met name beoogd om de rechtsbescherming van de diverse belanghebbenden bij een WOZ-waarde te verbeteren. In dit kader wordt voorgesteld om het huidige systeem van een WOZ-beschikking per belanghebbende te wijzigen in een WOZ-beschikking per onroerende zaak die is gericht tot alle belanghebbenden. Dit gebeurt onder meer door aan te sluiten bij het open stelsel van rechtsbescherming in de Awb. Hierdoor kunnen alle belanghebbenden bezwaar maken tegen dezelfde WOZ-beschikking en desgewenst worden betrokken in een door een andere belanghebbende aangespannen procedure daartegen. Nadat de WOZ-beschikking onherroepelijk is geworden, is de betreffende WOZ-waarde voor alle betrokkenen bindend.

Mede gelet op het feit dat een WOZ-waarde voor verschillende doeleinden kan worden gebruikt en dat sprake kan zijn van tegengestelde belangen, blijft als uitgangspunt gelden dat aan een onroerende zaak één WOZ-waarde wordt toegekend en dat dus niet verschillende WOZ-waarden voor verschillende belanghebbenden bij dezelfde onroerende zaak gelden. In het verlengde daarvan is het volgens het kabinet wenselijk dat de WOZ-waarde wordt vastgesteld via een beschikking die tot alle belanghebbenden is gericht en dat eventueel in één procedure over die waarde kan worden geprocedeerd, waarbij de diverse argumenten integraal kunnen worden gewogen.

Het consultatievoorstel maakt daarmee een einde aan het huidige systeem op basis waarvan de WOZ-waarde wordt vastgesteld aan de hand van individuele WOZ-beschikkingen, waartegen alleen degene tot wie die beschikking zich richt bezwaar kan maken. In de plaats daarvan wordt de WOZ-waarde vastgesteld aan de hand van één WOZ-beschikking waarin de (waarde van de) onroerende zaak centraal staat, oftewel de zaakgebonden WOZ-beschikking. Deze beschikking is gericht tot alle belanghebbenden en voor alle betrokkenen bindend nadat de beschikking onherroepelijk is geworden.

Van gesloten stelsel naar open stelsel van rechtsmiddelen

Om dit te bereiken wordt, zoals hierboven aangegeven, voorgesteld om de Wet WOZ te laten aansluiten bij het open stelsel van rechtsbescherming in de Awb, in plaats van bij het gesloten stelsel van rechtsbescherming in de AWR. De Awb voorziet namelijk al in bepalingen om met situaties van tegengestelde belangen om te gaan. Het gesloten stelsel houdt in dat enkel bezwaar kan worden gemaakt tegen besluiten die daartoe door de (belasting)wet zijn aangewezen en dat, in afwijking van de Awb, alleen beroep kan worden ingesteld door de belanghebbende tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt. Op basis van het open stelsel van rechtsbescherming in de Awb kan elke belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. Onder belanghebbende wordt in dit verband verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Dat het moet gaan om een rechtstreeks betrokken belang brengt mee dat tussen de WOZ-beschikking en het belang voldoende causaal verband aanwezig moet zijn. Een afgeleid belang is (in beginsel) niet voldoende. Zodoende is het belang van bijvoorbeeld buren bij de WOZ-waarde van een woning die gelijk is aan die van hen, afgeleid en niet rechtstreeks. Ook kan een weddenschap over een bepaalde WOZ-waarde niet een hiervoor bedoeld (rechtstreeks) belang bij die WOZ-waarde creëren. Voorts moet het gaan om een voldoende concreet en een actueel belang, in tegenstelling tot een (mogelijk) toekomstig belang.

Op basis van de beoogde stelselwijziging kunnen aldus alle personen wier belang rechtstreeks bij een WOZ-beschikking is betrokken tegen de betreffende WOZ-beschikking bezwaar maken.

Zo kunnen belanghebbenden bijvoorbeeld straks worden betrokken in een door een andere belanghebbende aangespannen procedure tegen de WOZ-beschikking. De rechter kan namelijk tot sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als de WOZ-waarde was vastgesteld op € 250.000 en naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende A naar beneden is bijgesteld tot € 230.000. Als belanghebbende B tegen die uitspraak op bezwaar in beroep komt, dan kan belanghebbende A in die procedure de gelegenheid krijgen om de WOZ-waarde van € 230.000 te verdedigen. Voorts kan een rechter zaken over hetzelfde onderwerp gevoegd behandelen. Dit kan aan de orde zijn als twee (of meer) belanghebbenden beroep hebben ingesteld aangaande dezelfde WOZ-beschikking.

Iedere belanghebbende mag in bezwaar, beroep, (incidenteel) hoger beroep en in cassatie

Als in de rechterlijke uitspraak de WOZ-beschikking wordt vernietigd en een nieuwe WOZ-waarde wordt vastgesteld, doet de gemeenteambtenaar daarvan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van die uitspraak, mededeling aan de belanghebbenden die het aangaat (met uitzondering van de belanghebbenden die partij waren) met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor het bekendmaken van de WOZ-beschikking.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank kunnen belanghebbenden en de gemeente hoger beroep instellen bij het Hof. Op het hoger beroep zijn in beginsel dezelfde bepalingen van toepassing als op het beroep bij de Rechtbank. In hoger beroep geldt daarnaast nog de mogelijkheid van incidenteel hoger beroep. Als hoger beroep is ingesteld, dan kan degene die ook hoger beroep had kunnen instellen maar dat niet heeft gedaan incidenteel hoger beroep instellen. Dit speelt bijvoorbeeld in het volgende geval.

Er wordt een WOZ-beschikking afgegeven met een waarde van € 450.000. Belanghebbende A bepleit in bezwaar een waarde van € 420.000 en belanghebbende B bepleit een waarde van € 480.000. In de uitspra(a)k(en) op bezwaar wordt de WOZ-waarde gehandhaafd op € 450.000. Beide belanghebbenden gaan tegen de uitspraak op bezwaar in beroep. De rechter stelt de WOZ-waarde vast op € 460.000. Belanghebbende A stelt hoger beroep in. Als belanghebbende B niet zelf hoger beroep heeft ingesteld dan kan hij naar aanleiding van het hoger beroep van belanghebbende A incidenteel hoger beroep instellen.

De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn daarbij (in beginsel) van toepassing. Tegen de uitspraak van het Hof kan beroep in cassatie bij de Hoge Raad worden ingesteld. Dezelfde personen die hoger beroep konden instellen, kunnen beroep in cassatie instellen. Voorts kan sprongcassatie worden ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

Conclusie

Als het consultatievoorstel tot wet wordt verheven kan iedereen die tot de kring van belanghebbenden behoort straks naar de rechter stappen, ook bij tegengestelde belangen. Dat vergroot enerzijds de rechtszekerheid en de rechtsbescherming. Dat is op zich een zegen. Anderzijds vermoed ik dat juist als het gaat om tegengestelde belangen er straks veel meer zal worden geprocedeerd over WOZ-beschikkingen hetgeen tot een extra werklast voor de rechterlijke macht zal leiden. Een ander nadeel vind ik dat het door het kabinet bedachte systeem de rechtsongelijkheid ook wel eens sterk zou kunnen vergroten. Degenen die zich een goede adviseur kunnen veroorloven en dus geld hebben, zijn in staat om sterke procesdossiers op te bouwen en eindeloos door te procederen. Met andere woorden: de ‘gewone man’ krijgt dan het nakijken en dat is een vloek. Nadat de consultatie op 1 maart aanstaande zal zijn gesloten, kom ik hier nader op terug.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2019/1
Judoreg
NFB2224
Publicatiedatum
10 januari 2019

X