Direct naar content gaan

Samenvatting

X (belanghebbende) en zijn twee broers zijn sinds 1 juni 2012 middels hun personal holdings voor 33⅓ middellijk aandeelhouder in A (bv). In het kader van een bedrijfsopvolging door de zoon van X en de zoon van een broer, heeft in 2015 een herstructurering plaatsgevonden. Daarbij is Y (bv) door A opgericht en heeft een omzetting plaatsgevonden van gewone aandelen in de personal holdings van X en zijn broers naar cumulatief preferente aandelen in Y.
Volgens de Inspecteur is het door X (en zijn broers) gehanteerde cumulatief preferent dividendpercentage van 4,25 dan wel 7,5% niet zakelijk. Hij heeft bij de aanslag IB/PVV 2015 een belast voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen voor een bedrag van € 56.000, waarbij hij is uitgegaan van een dividendpercentage van 36,5%. X heeft beroep ingesteld.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat een zakelijk handelende vennootschap of (voormalig) aandeelhouder in gelijke omstandigheden een dividendpercentage van 4,25% of 7,5% niet had geaccepteerd en een aanzienlijk hoger dividendpercentage had bedongen. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat X niet de vereiste aangifte heeft gedaan nu geen voordeel uit aanmerkelijk belang is aangegeven. Er is daarom sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Gelet op drie berekeningen die zijn gebaseerd op door X aangeleverde cijfers, acht de Rechtbank de door de Inspecteur gemaakte schatting (€ 56.000) redelijk, nu de schatting lager uitvalt dan de berekende bedragen.
Het beroep op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt. Het beroep is ongegrond.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2015
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum instantie
10 maart 2022
Rolnummer
20/8160
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:2451
bwbr0011353&artikel=4.12,bwbr0011353&artikel=4.22

Naar de bovenkant van de pagina