Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

X (belanghebbende) is met ingang van 1 januari 2015 als medisch specialist werkzaamheden in loondienst gaan verrichten. Aan X is een aanslag IB/PVV 2015 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 268.880 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.333. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 12.214 aan belastingrente in rekening gebracht. In geschil is of terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht.

In casu heeft X een onjuiste aangifte IB/PVV 2015 ingediend. Hij heeft een onjuist bedrag aan belastbare winst uit onderneming (nagekomen ondernemingsbate) vermeld, als gevolg van een onjuist ingevulde vermogensvergelijking.

In het onderhavige geval heeft de Inspecteur echter de beschikking gehad over de loonheffingen die door de werkgever van X zijn ingehouden op het loon uit dienstbetrekking. X beroept zich in dit verband op beleid van de Belastingdienst en verwijst daarbij naar de uitspraak van Hof Den Haag 14 november 2018, 18/00644, ECLI:NL:GHDHA:2018:3106, NLF 2018/2615, met noot van Hageman. Volgens Rechtbank Noord-Holland is dit beroep gegrond. Nu de Inspecteur reeds de beschikking had over de loonheffingen, als zijnde voorheffing, is het niet redelijk om daar belastingrente over te berekenen. De Rechtbank heeft de heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 9.964.

De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld en Hof Amsterdam verklaart dat gegrond.

Het begunstigend beleid waarop X zich beroept, is in elk geval op 8 december 2017 ingetrokken. Gelet op de dagtekening van het aanslagbiljet is het Hof van oordeel dat de daarmee verband houdende belastingrenteschuld in materiële zin niet eerder is ontstaan dan op 31 augustus 2018, derhalve na het moment van intrekking van het begunstigend beleid. Reeds om die reden verwerpt het Hof het beroep van X op het vertrouwensbeginsel. De Rechtbank heeft de in rekening gebrachte belastingrente ten onrechte gematigd. Het Hof merkt hierbij op dat in de regeling van de belastingrente niet de compensatiegedachte centraal staat, maar de verzuimgedachte.

Het Hof is van verder van oordeel dat de aan X in rekening gebrachte belastingrente naar een percentage van vier procent geen individuele en buitensporige last vormt.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2015
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
25 maart 2021
Rolnummer
20/00118
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:875
NLF-nummer
NLF 2021/1830
Aflevering
23 september 2021

X