Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(3)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving(1)
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(163)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(1)
  • Recent(11)

X (belanghebbende) heeft jaarlijks bij zijn aangifte IB/PVV ook de AOW-uitkering van zijn echtgenote aangegeven. De echtgenote heeft zelf geen aangifte gedaan. De Inspecteur heeft steeds de aangifte gevolgd, zonder de fout op te merken, behalve in 2014. X ontving echter afzonderlijk bericht dat de aanslag was vastgesteld conform de aangifte IB/PVV 2014. De Inspecteur heeft X aldus niet op de hoogte gesteld van het feit dat en waarom de aanslag over 2014 afwijkend van de aangifte is vastgesteld.


Met dagtekening 25 februari 2021 heeft de Inspecteur X een brief gestuurd waarin wordt aangekondigd dat hij de ‘aangifte’ over 2016 gaat ‘herzien’. Er was al een definitieve aanslag opgelegd, waarin opnieuw ten onrechte de AOW-uitkering van de echtgenote was begrepen. Na ontvangst van de verminderingsbeschikking met dagtekening 12 maart 2021 heeft X op 17 maart 2021 een verzoek ingediend om ambtshalve vermindering van de aanslagen over de jaren 2010 tot en met 2015. Dit verzoek is afgewezen, omdat het niet binnen de vijfjaarstermijn is ingediend. X heeft beroep ingesteld. Ter zitting heeft X het beroep betreffende het jaar 2014 ingetrokken (die aanslag is immers destijds gecorrigeerd).


Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de Inspecteur had moeten onderzoeken of de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Volgens de Rechtbank kan in dit geval niet worden gezegd dat X in verzuim is geweest door zijn verzoek pas naar aanleiding van de brief van de Inspecteur over 2016 in te dienen. Dat zou anders zijn geweest als X op de een of andere manier al eerder op de hoogte was van het onterecht aangeven van de AOW-uitkering van zijn echtgenote (en toen geen actie heeft ondernomen). De Rechtbank merkt op dat van verschoonbaarheid in de zin van artikel 6:11 Awb niet alleen sprake is in typische overmachtssituaties, maar ook in gevallen waarin iemand buiten zijn schuld niet op de hoogte is van het bestaan van een bepaalde beslissing en daardoor de wettelijke termijn voor het instellen van een rechtsmiddel heeft gemist.


Het beroep is gegrond. Het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de giftenaftrek wordt verlaagd met de AOW-uitkering van de echtgenote.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2011-2015
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum instantie
19 oktober 2021
Rolnummer
21/1878;21/1879;21/1880;21/1881;21/1883
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:4443
Auteur(s)
Christa van Hoek
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF 2021/2164
Aflevering
18 november 2021
Judoreg
NFB4646
bwbr0005537&artikel=6:11,bwbr0012031&artikel=45aa

X