Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(6)
  • Commentaar NLFiscaal(11)
  • Literatuur
  • Recent(1)

X (belanghebbende) is woonachtig te Q en is vanaf augustus 2018 fulltime werkzaam bij een bedrijf te Z. Hij reist elke zondagavond of maandagochtend van Q naar Z en reist elke vrijdagavond terug naar zijn woonplaats. Gedurende de werkweek verblijft X in een hotel in Z.

X ontvangt van zijn werkgever een reiskostenvergoeding van € 648.

In geschil is of X recht heeft op de reisaftrek bij woon-werkverkeer met het openbaar vervoer (IB/PVV 2018).

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X in principe geen recht heeft op reisaftrek omdat hij niet binnen een tijdsbestek van 24 uur heen en weer reist.

X maakt ook niet aannemelijk dat hij 12 kilometer per openbaar vervoer heeft afgelegd tussen het verblijfadres (hotel) en het werkadres te Z. Ten overvloede overweegt de Rechtbank dat ook als X wel aan zijn bewijslast zou hebben voldaan, bij een afstand van 12 kilometer het forfaitaire bedrag dat X in aftrek zou mogen brengen (€ 337) kleiner is dan de reiskostenvergoeding die hij ontvangt, waardoor alsnog geen recht op reisaftrek zou bestaan.

Volgens de Rechtbank maakt artikel 3.87 Wet IB 2001 geen verboden onderscheid naar woonplaats. Er is een redelijke grond voor het stellen van de eis dat binnen 24 uur heen en weer gereisd moet worden, namelijk dat in dat geval sprake is van dagelijks woon-werkverkeer. In het geval van X is daar om hem moverende, persoonlijke redenen door zo ver weg te gaan wonen van zijn werk geen sprake van. Er is dan geen sprake van gelijke gevallen met personen die dat wel (plegen te) doen.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2018
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum instantie
27 oktober 2021
Rolnummer
20/4964
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:12138
NLF-nummer
NLF 2022/0125
Aflevering
13 januari 2022
bwbr0011353&artikel=3.87

X