Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(5)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(5)
  • Jurisprudentie(398)
  • Commentaar NLFiscaal(4)
  • Literatuur(7)
  • Recent(19)

X (belanghebbende) is in 2013 en 2014 in dienstbetrekking werkzaam bij een stichting. In het jaar 2014 ontvangt zij tevens uitkeringen van het UWV. Daarnaast schrijft zij scenario’s voor film en toneel. Van 2010 tot en met 2016 zijn de resultaten uit deze werkzaamheden negatief. X heeft de resultaten in haar aangiften IB/PVV als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. In geschil is of de activiteiten een bron van inkomen vormen en, zo ja, of X de door haar in aftrek gebrachte kosten aannemelijk heeft gemaakt.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geoordeeld dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2013 en 2014 in redelijkheid verwacht kon en mocht worden dat zij in de toekomst winst zou behalen met de activiteiten.

Hof Den Bosch heeft het oordeel van de Rechtbank bevestigd. Ten aanzien van prognoses voor de jaren 2014 tot en met 2016 ontbreken nadere stukken op grond waarvan de in de prognoses vermelde inkomensbedragen zijn gebaseerd. X heeft op de zitting van het Hof gesteld dat zij deze stukken reeds aan de Inspecteur heeft verstrekt. Het Hof heeft in de stukken van het geding geen aanwijzingen gevonden dat dit het geval is geweest en acht de stelling van X op dit punt niet aannemelijk. Het had in ieder geval op de weg van X gelegen dat bewijs alsnog in te brengen in de procedure, aldus het Hof.

In cassatie klaagt X erover dat het Hof uitspraak heeft gedaan ondanks dat de Inspecteur niet had voldaan aan een opdracht van het Hof te onderzoeken of door X – naar zij stelt – overgelegd bewijsmateriaal ter inspectie aanwezig was en, zo ja, dit aan haar ter beschikking te stellen.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond. Nu het Hof uitspraak heeft gedaan zonder dat de Inspecteur het onderzoek heeft verricht, is het oordeel van het Hof dat X niet in het bewijs van haar stelling is geslaagd, niet naar behoren gemotiveerd. Voorts ontbreekt in de uitspraak van het Hof een oordeel over de toepassing van artikel 8:42 Awb (op de zaak betrekking hebbende stukken). De zaak wordt verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden.

Conform Conclusie A-G Niessen (NLF 2020/2494, met noot van Hoogwout).

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2013 en 2014
Instantie
HR
Datum instantie
18 februari 2022
Rolnummer
20/00766
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:281
Auteur(s)
Niels van Mol
Belastingdienst
NLF-nummer
NLF 2022/0491
Aflevering
10 maart 2022
Judoreg
NFB4865
bwbr0005537&artikel=6:5,bwbr0005537&artikel=8:42,bwbr0005537&artikel=8:42&lid=1,bwbr0005537&artikel=8:64,bwbr0011353&artikel=3.90,bwbr0005537&artikel=6:5,bwbr0005537&artikel=8:42,bwbr0005537&artikel=8:64,bwbr0011353&artikel=3.90

X