Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

In deze strafzaak heeft de strafkamer van Hof Den Bosch bewezen verklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door een stichting opzettelijk indienen van vijf onjuiste aangiften omzetbelasting.

Het Hof heeft bij de straftoemeting (12 maanden gevangenisstraf) geoordeeld dat de door de stichting gedane aangiften omzetbelasting die niet in de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn genoemd, kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de vijf in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezen verklaarde fiscale delicten blijkt.

Tegen dit oordeel heeft de verdachte met succes cassatieberoep ingesteld, want de Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof niet toereikend is gemotiveerd.

Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat aannemelijk is geworden dat die niet ten laste gelegde, door de stichting gedane aangiften omzetbelasting (opzettelijk) onjuist waren gedaan en evenmin dat de verdachte aan het (opzettelijk) doen van die aangiften feitelijk leiding had gegeven. Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde belastingaangiften een voor de straftoemeting relevante omstandigheid zijn, niet begrijpelijk.

De zaak is terugverwezen voor een nieuwe berechting.

Conform Conclusie A-G Paridaens (NLF 2021/0355).

Rubriek(en)
Strafrecht
Belastingtijdvak
2012 t/m 2016
Instantie
HR
Datum instantie
2 maart 2021
Rolnummer
19/04389
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:260
Auteur(s)
Anneke Nuyens
De Bont advocaten/Tilburg University
NLF-nummer
NLF 2021/0683
Aflevering
1 april 2021
Judoreg
NFB4234

X