Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(3)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(75)
  • Commentaar NLFiscaal(2)
  • Literatuur(2)
  • Recent(1)

In verband met een beursgang van X (bv; belanghebbende) is in maart 2012 door (M) LLC voor een symbolische waarde een belang toegekend aan dertien managers van X voor een totale waarde van € 20.000.000 (hierna: de aandelentoekenning). Ten tijde van de aandelentoekenning hielden B en C als zelfstandige private-equitypartijen ieder een (indirect) belang van 36,3% in X. De in 2006 ten behoeve van de participatie opgerichte LLC hield een middellijk belang van 1,3% in X.

Voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of X over de toekenningen aan haar managers pseudo-eindheffing hoog loon verschuldigd is.

Het Hof heeft geoordeeld dat uit de door B en C gekozen samenwerkingsvorm vanaf 2006 tot aan de beursgang van X niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het voordeel uit deze aandelentoekenning op één lijn moet worden gesteld met de situatie waarin het voordeel in opdracht van en voor rekening van X is verstrekt, zodat sprake is van ‘eigen’ loon van X. Daarbij heeft het Hof onder meer laten meewegen dat B en C (indirect) een meerderheidsbelang van 72,6% in X hielden en dat zij (indirect) de LLC hebben opgericht. Dat de aandelen zijn toegekend door de LLC en dat de LLC op basis van de door haar gehouden aandelen in X niet is aan te merken als een concern- of groepsvennootschap van X, heeft het Hof in deze situatie niet relevant geacht.

X is dus inhoudingsplichtig voor de loonheffing ter zake van het voordeel uit de aandelentoekenning aan de managers en zij is daarom ook de pseudo-eindheffing hoog loon verschuldigd, aldus het Hof.

In cassatie stelt X onder meer dat de aandelenverstrekkende LLC slechts 1,3% in X hield en dus geen ‘concernmaatschappij’ was. X kan daarom niet worden aangemerkt als inhoudingsplichtige voor het door de LLC verstrekken van de aandelen, aldus het middel.

Anders dan het middel betoogt, kon het Hof bij de beoordeling van het verband tussen de LLC en X in aanmerking nemen dat B en C gezamenlijk de LLC hebben opgericht om het management van X in de structuur te laten participeren, dat zij gezamenlijk alle aandelen in de LLC hielden en dat zij tezamen (indirect) een belang van 72,6% hadden in X. Het hiermee verband houdende oordeel van het Hof dat de aandelentoekenning op één lijn kan worden gesteld met een toekenning in opdracht van en voor rekening van X, getuigt niet van een onjuiste opvatting van het begrip concernmaatschappij, oordeelt de Hoge Raad. Het Hof hoefde zich in het bijzonder bij zijn oordeel niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat X niet is aan te merken als een dochtermaatschappij van de LLC in de zin van artikel 2:24a BW en dat X en de LLC geen economische eenheid vormen als bedoeld in artikel 2:24b BW. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.

Conform conclusie A-G Wattel (NLF 2021/2369).

Rubriek(en)
Loonbelasting
Belastingtijdvak
maart 2013
Instantie
HR
Datum instantie
14 januari 2022
Rolnummer
21/00836
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:15
Auteur(s)
Elmer van Lienen
PKF Wallast
NLF-nummer
NLF 2022/0295
Aflevering
10 februari 2022
Judoreg
NFB4808
bwbr0002471&artikel=6&lid=1,bwbr0002471&artikel=32bb&lid=1,bwbr0002471&artikel=32bd,bwbr0002471&artikel=32bd

X