Direct naar content gaan

Na de bom van de Hoge Raad op box 3 is de kern van het rechtsherstel simpel samen te vatten: het isoleren van spaargeld met inachtneming van een forfaitaire rente die dicht tegen de werkelijkheid aanligt. Belastingstaatssecretaris Van Rij kondigde deze oplossingsrichting aan op Goede Vrijdag jl. Het gekke is dat een van zijn ambtsvoorgangers deze variant ook al eens aankondigde.

Wat zeg ik: na afloop van de ministerraad jubelde toenmalig staatssecretaris Snel in een ingelaste persconferentie met veel bombarie over ‘een heel nieuw stelsel’. Dat was begin september 2019. Met een rekenrente van 0,09% en een vrijstelling van € 400 zouden spaartegoeden tot ruim boven de € 4 ton worden vrijgesteld van box 3. De bedoeling was om deze wijziging – laat ik het de spaarvariant noemen – in te voeren per 1 januari 2022.

Allengs sloeg echter de twijfel toe. Allengs kregen ambtenaren op het ministerie van Financiën spijt van de voorgestelde spaarvariant, die vol juridische risico’s zou zitten. Ook de Belastingdienst kreeg de kriebels over de uitvoering. Bovendien werd gefluisterd dat het voorstel budgettair een ramp zou zijn. De ambtsopvolger van Snel wist genoeg. Staatssecretaris Vijlbrief mikte de spaarvariant linea recta in de prullenbak.

Maar nu heeft Van Rij dus in het afval van Vijlbrief zitten snuffelen en daar de verfrommelde spaarvariant van Snel gevonden. De vraag rijst meteen of de bezwaren van destijds nu niet meer gelden. Prima om meer circulair te denken, maar hoe kan fiscale rommel opeens een oplossing zijn?

In de Tweede Kamer heerst ook argwaan over de robuustheid van het voorgestelde rechtsherstel. Dat is niet vreemd. De mecaniciens die de verdeelfictie van vermogen boven op de rendementsfictie van box 3 hebben gemonteerd, hebben ook nu weer gesleuteld aan het rechtsherstel. Daar mag je best een kritische vraag over stellen. Want moeten we erop vertrouwen dat men anno 2022 het boeltje scherp op het juridische netvlies heeft, terwijl bij de vormgeving van de per 2017 ingegane aanpassing van box 3 niet is voorzien dat dit voor de Hoge Raad onacceptabel zou zijn? De eerlijke kanttekening is natuurlijk dat het ook weer niet helemaal klip en klaar was – ondanks de liegende wetgever, die deed alsof werkelijk rendement relevant was – dat het hoogste rechtscollege na 200 jaar de belastingheffing over vermogen in de wilgen zou hangen.

Maar goed, de schrik zit er wel in. De Hoge Raad heeft niet alleen de tanden laten zien, maar na lang grommen over box 3 hebben de rechters in het inmiddels beroemde Kerst-arrest maar eens doorgebeten. Enerzijds neemt men dat niet eens zo heel serieus. Immers: de rechterlijke opdracht om het werkelijke rendement te belasten, wordt niet opgevolgd. In wezen blijven we ook bij het rechtsherstel gewoon met ficties prutsen. 

De andere kant is dat de beet wel degelijk zeer afschrikwekkend werkt. Van Rij zit niet voor niets te bibberen in zijn werkkamer. Hij is in afwachting van een nieuw arrest, waarbij een spaarder die geen bezwaar heeft gemaakt toch rechtsherstel claimt. Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat dit een serieuze zaak is. Tot voor kort was het simpel: als je niet schiet, kun je niet scoren. Nu dreigt kennelijk een bizar scenario: je kunt scoren zonder te schieten of zonder zelfs überhaupt mee te spelen. Het is een nucleaire optie die het hele spel in potentie morsdood maakt.

Binnen nu en zes maanden wordt het arrest gewezen. De rechtshersteloperatie voor niet-bezwaarmakers wordt daardoor gegijzeld, tenzij Van Rij zelf de regie houdt en desnoods met nieuwe (spoed)wetgeving de Hoge Raad trotseert. Daarvoor lijkt hij wat bang. Met een angstige wetgever en een bijtende rechter krijgt de prullenbakvariant het nog zwaar.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Auteur(s)
Michiel Spanjers
Columnist
NLF-nummer
NLF-P 2022/15
Publicatiedatum
26 april 2022
bwbr0011353&artikel=5.1,bwbr0011353&artikel=5.2,bwbr0011353&artikel=5.3

Naar de bovenkant van de pagina