Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving(2)
  • Besluiten(3)
  • Jurisprudentie(2)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(1)

X (bv; belanghebbende) heeft van haar 100%-dochter in Uruguay vergoedingen ontvangen voor de verhuur van kranen en trailers en ondersteunende technische diensten, waarop Uruguayaanse bronbelasting is ingehouden. X wenst die bronbelasting op basis van artikel 36 BvdB 2001 te verrekenen met haar vennootschapsbelasting. De Inspecteur heeft dit geweigerd omdat Uruguay niet op de lijst met ontwikkelingslanden in artikel 6 BvdB 2001 staat.


Rechtbank Den Haag heeft het beroep van X ongegrond verklaard, omdat een vermelding op de lijst van artikel 6 BvdB 2001 een voorwaarde is voor verrekening ex artikel 36 BvdB 2001.


Hof Den Haag heeft het tegen dit oordeel ingestelde hoger beroep afgewezen.


Het Hof achtte de lijst van ontwikkelingslanden in artikel 6 BvdB 2001 niet zo gebrekkig gemotiveerd of onzorgvuldig voorbereid dat het niet zou kunnen beoordelen of artikel 6 BvdB 2001 algemene rechtsbeginselen schendt en daarom buiten toepassing moet blijven. Evenmin heeft X aannemelijk gemaakt dat schrapping van Uruguay in 1999 het gelijkheidsbeginsel schond. Ook het EU-recht achtte het Hof niet geschonden omdat de vergoedingen samenhangen met dienstenverkeer, dat – anders dan kapitaalverkeer – niet geliberaliseerd is in de verhouding tot derde landen. Zou wel toegang tot het vrije kapitaalverkeer bestaan, dan zou dat X niet baten omdat artikel 63, lid 2, VWEU niet ziet op verschil in behandeling tussen inkomsten uit twee derde landen, maar op verschil in behandeling tussen binnenlands inkomen en grensoverschrijdend inkomen. De beroepen op de investeringsbeschermingsovereenkomst (IBO) met Uruguay en de EU-Mercosur Kaderovereenkomst heeft het Hof eveneens verworpen omdat de eerste noch op belastingen, noch op de activiteiten van X ziet, en de laatste Nederland niet verplicht tot meestbegunstiging van investeringen in of transacties met Mercosur-landen.


Tegen dit oordeel heeft X met zeven middelen cassatieberoep ingesteld, maar volgens A-G Wattel worden alle middelen tevergeefs voorgesteld. Weliswaar is middel iii deels gegrond (X heeft wel toegang tot het kapitaalverkeer), maar dat baat haar niet (het vrije kapitaalverkeer is niet geschonden). De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

Rubriek(en)
Internationaal belastingrecht
Europees belastingrecht
Belastingtijdvak
2015
Instantie
A-G
Datum instantie
30 september 2021
Rolnummer
21/00521
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:903
Auteur(s)
Frederik Boulogne
BDO / Universiteit van Amsterdam
NLF-nummer
NLF 2021/2217
Aflevering
25 november 2021
Judoreg
NFB4664
bwbr0012095&artikel=6,bwbr0012095&artikel=36

X