Direct naar content gaan

Samenvatting

X (bv; belanghebbende) verzorgt de aanvraag en verlenging van tewerkstellingsvergunningen voor in China woonachtige koks die naar Nederland komen om hier als kok te werken. X maakt daarvoor gebruik van een in China gevestigde Ltd. (hierna: A). X heeft in de aangifte vpb 2010/2011 een, met betrekking tot van A afkomstige facturen, betaald bedrag van € 1.207.387 in aftrek gebracht. De aftrek is na een boekenonderzoek gecorrigeerd omdat niet is aangetoond dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. In geschil is een in verband hiermee opgelegde navorderingsaanslag vpb 2010/2011 en boetebeschikking van (na bezwaar) € 85.917.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de boete verminderd tot € 45.000 en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Hof Den Bosch heeft in hoger beroep geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat meer kosten in aftrek zijn gebracht dan daadwerkelijk zijn gemaakt, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd is. X is niet in dat bewijs geslaagd. Er is volgens het Hof sprake van een redelijke schatting. Het Hof acht de boete passend en geboden en ziet geen aanleiding tot verdere matiging, anders dan door overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De boete is aldus gematigd tot € 40.000.

X heeft cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad heeft de klachten van X over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst is dat de klachten met toepassing van artikel 81 Wet RO ongegrond worden verklaard.

Wel is er sprake van een ambtshalve bijgebrachte grond voor cassatie voor wat betreft de boetebeschikking.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht aan X op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een vergrijpboete heeft opgelegd. Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat X op het moment van het doen van de aangifte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet gericht op het doen van een onjuiste aangifte. Hierin ligt de opvatting besloten dat het bewijs met betrekking tot opzet als bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden.

Deze opvatting is onjuist. Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dit geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. In dat verband kan de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.

De zaak is voor wat betreft de boetebeschikking verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2010-2011
Instantie
HR
Datum instantie
8 april 2022
Rolnummer
20/02638
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:526
Auteur(s)
Jits Berns
FT-advocaten
NLF-nummer
NLF 2022/0829
Aflevering
28 april 2022
Judoreg
NFB4975
bwbr0001830&artikel=81,bwbr0002320&artikel=27e,bwbr0002320&artikel=67cc&lid=1,bwbr0002320&artikel=67d&lid=1,bwbr0002320&artikel=67e,bwbr0002320&artikel=67e&lid=1,bwbr0002320&artikel=67f&lid=1,bwbr0002672&artikel=20b,bwbr0029297,bwbv0001000&artikel=6,bwbr0001830&artikel=81,bwbr0002320&artikel=27e,bwbr0002320&artikel=67e,bwbr0002672&artikel=20b,bwbr0029297,bwbv0001000&artikel=6

Naar de bovenkant van de pagina