Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(45)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(4)
  • Recent(12)
X (belanghebbende) is bij de aanvang van het kalenderjaar 2019 eigenaar van 869 huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2, lid 1, letter e, Wmw en is daarmee belastingplichtig voor de verhuurderheffing. Zij heeft op 27 september 2019 op aangifte een bedrag van € 938.570 aan verhuurderheffing voldaan.
In hoger beroep is geschil of de verhuurderheffing voor X een individuele en buitensporige last is als bedoeld in artikel 1 EP. Dat is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden niet het geval. Anders dan X kennelijk stelt, dient niet naar enkele individuele woningen in haar sociale huurwoningenportefeuille te worden gekeken, doch naar die portefeuille in haar geheel en dienen ook de exploitatieresultaten van de overige onroerendgoedportefeuilles – geliberaliseerde huurwoningen, winkels en kantoorpanden – niet uit deze cijfers te worden geëlimineerd. De exploitatie van die onroerende zaken maakt immers ook deel uit van de bedrijfsvoering van belanghebbende en behoort dus tot de omstandigheden van het (onderhavige) geval.
Het Hof is van oordeel dat uit de door X overgelegde stukken en ter zitting gegeven toelichting volgt dat, gelet op de financiële positie van X geen aanleiding bestaat om aan haar continuïteit te twijfelen. Zij heeft geen gegevens verstrekt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij in sterkere mate wordt getroffen door de verhuurderheffing dan met haar vergelijkbare verhuurders van sociale huurwoningen. Het hoger beroep is ongegrond.
Rubriek(en)
Overig
Belastingtijdvak
2019
Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
Datum instantie
9 november 2021
Rolnummer
21/00241
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:10464
bwbr0034553&artikel=1.2&lid=1,bwbv0001001&artikel=1

X