Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(4)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(149)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(7)
  • Recent(13)

De Inspecteur heeft aan belastingadvieskantoor X (nv; belanghebbende) een vergrijpboete opgelegd van € 1 miljoen. Hij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het vermoeden bestaat dat het mede aan het (voorwaardelijke) opzet van een medewerker van X is te wijten dat te weinig vennootschapsbelasting is geheven van, naar zijn mening, in Nederland gevestigde Guernsey Limiteds en dat de gedragingen van de medewerker en de verwijtbaarheid daarvan aan X kunnen worden toegerekend.

In geschil is of de vergrijpboete terecht is opgelegd. Dat is volgens Rechtbank Den Haag en in hoger beroep Hof Den Haag niet het geval.

Hof Den Haag beoordeelt om proceseconomische redenen eerst of de boete dient te worden vernietigd omdat niet voldaan is aan het toestemmingsvereiste als bedoeld in paragraaf 2, lid 6, BBBB.

Naar het oordeel van het Hof zijn de stukken die verband houden met het voormelde toestemmingsvereiste op de zaak betrekking hebbende stukken. De Inspecteur heeft de betreffende stukken alsnog, onder protest, in het geding gebracht.

Het Hof komt tot het oordeel dat de Directeur Grote Ondernemingen toestemming heeft verleend op basis van onvolledige en gekleurde informatie, zonder volledig te zijn geïnformeerd over de feiten, waaronder de volledige structuur en de beoordeling van die structuur door verschillende Inspecteurs, en de gronden van de op te leggen boete. Gelet hierop is niet voldaan aan het toestemmingsvereiste. Het gebruik van de verleende toestemming druist zozeer in tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Voor het geval wel aan het toestemmingsvereiste is voldaan, maakt de Inspecteur (voorwaardelijke) opzet noch grove schuld aannemelijk.

Naar het oordeel van het Hof is een hogere dan forfaitaire vergoeding gerechtvaardigd gelet op de wijze waarop de toestemming is verkregen, en de omstandigheid dat een bijzonder hoge boete is opgelegd zonder doorslaggevend bewijs van (voorwaardelijk) opzet. Daarbij komt dat het standpunt dat sprake is van grove schuld op geen enkele manier is onderbouwd. Het Hof stelt de vergoeding in goede justitie vast op € 20.000.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2011
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
2 maart 2022
Rolnummer
19/00478
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:317
Auteur(s)
Nick van den Hoek
Jaeger Advocaten-belastingkundigen
NLF-nummer
NLF 2022/0773
Aflevering
21 april 2022
Judoreg
NFB4955
bwbr0002320&artikel=67e,bwbr0002320&artikel=67e,bwbr0002320&artikel=67p,bwbr0002320&artikel=67p,bwbr0005537&artikel=5:1,bwbr0005537&artikel=5:1,bwbr0005537&artikel=6:22,bwbr0005537&artikel=6:22

X