Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Peter Essers is hoogleraar belastingrecht en voorzitter van het departement Belastingrecht van Tilburg Law School, Tilburg University. Ook is hij lid van de Eerste Kamer voor het CDA (2003-2015 en vanaf 2019). Arthie Schimmel mocht hem interviewen.

In de periode 1981-1994 had het CDA grote invloed op de inkomstenbelastingkoers van Nederland. Het CDA leverde de staatssecretarissen, het Wetenschappelijk Instituut kwam met rapporten uit en er waren vooraanstaande fiscale wetenschappers lid van het CDA. Bijna iedereen was het erover eens dat het synthetisch stelsel in stand moest worden gehouden. Een opvallend gegeven is dat in de Eerste Kamerfractie van het CDA vanaf 1981 grote fiscalisten zaten zoals Christiaanse (tot 1991), W. Stevens (1991-2003), uzelf (2003-2015 en vanaf 2019) en Van Rij (2015-2019). Is dat beleid van het CDA, zorgen dat er een grote fiscalist in de Eerste Kamer zit?

Het is geen beleid maar eerder een traditie. Ik heb me in 2003 gekandideerd voor de Eerste Kamer omdat ik grote belangstelling voor politiek heb en tevens met hart en ziel wetenschapper ben. Ik heb nooit een spanning tussen die twee ervaren. Dat zou ik ook niet willen en kunnen.

In de periode 2003-2015 heb ik me in de Eerste Kamer onder andere beziggehouden met woningcorporaties, vennootschapsbelasting voor overheidsbedrijven, bedrijfsopvolging en anbi’s en sbbi’s. Op deze punten heb ik het een en ander kunnen bereiken. Mijn periode als Eerste Kamerlid liep in 2015 af. (AS: het CDA kent maximaal drie opeenvolgende termijnen in de Eerste Kamer). In 2019 heb ik het Eerste Kamerlidmaatschap opnieuw opgepakt.

Bent u aan het begin van deze kabinetsperiode gevraagd om staatssecretaris voor Financiën te worden?

Als dat al zo is, dan zou ik het niet zeggen.

In uw periode als Eerste Kamerlid van 2003-2015 hebt u weinig aandacht besteed aan belastingontwijking en -ontduiking

Er heeft sinds de financiële crisis een omslag in het denken plaatsgevonden. De aandacht van het publiek is verschoven. Voor de crisis was er nauwelijks aandacht voor de belastingheffing van multinationals. Toen was de gedachte: de wetgever heeft een belangrijke verantwoordelijkheid voor het maken van goede wetten. In Europa konden er geen goede afspraken gemaakt worden over afstemming, harmonisatie en tegengaan van dispariteiten. Dan moet je niet verbaasd zijn als daar gebruik van gemaakt wordt. Niet dat ik het goedkeur, maar dat is wel een fact of life. Dus als de wetgever er niet in slaagt goede wetgeving te maken, dan oogst je wat je gezaaid hebt.

Joop Wijn heeft destijds de cv/bv-constructie (die in het belastingverdrag Nederland-VS 2004 aan banden gelegd werd) door middel van een besluit buiten werking gesteld. Daarvoor heeft hij een onderscheiding van de American Chamber of Commerce gekregen

Dat laatste weet ik niet. Je moet wel kijken wie degene is die dat te verwijten valt. Het is nooit helemaal zwart of wit. In ons systeem is de cv transparant. De Amerikanen wisten donders goed dat onder andere door hun ‘check the box’-systeem dubbele non-belasting zou kunnen ontstaan. De Amerikanen hebben er zelfs een exportproduct van gemaakt. Het heeft tot Trump geduurd voordat hier een einde aan werd gemaakt.

In uw bijdrage aan het Belastingplan 2020 blijkt dat u een beetje bang bent dat we veel van de regelgeving uit handen geven aan de OESO

Als hoogleraar ben ik voor de EATLP (European Association of Tax Law Professors) met een groot project over de relatie tussen democratie en belastingrecht bezig. Veel revoluties en opstanden zijn ontstaan met een belastingachtergrond. Belastingrecht zonder democratische legitimatie kan leiden tot een gevaarlijke ontwikkeling. Dus de totstandkoming van belastingwetgeving moet democratisch gedekt zijn. De regering heeft inmiddels toegezegd dat het parlement vroegtijdig betrokken wordt bij de totstandkoming van internationale OESO-afspraken. Je moet de lekken aanpakken maar niet disproportioneel zijn. BEPS is eenzijdig ingegeven vanuit belastingontduiking en -ontwijking. Maar je moet niet alleen kijken naar het voordeel van de staat/belastingdienst, maar redeneren vanuit het hele stelsel. Zo verdient de problematiek van de renteaftrek een brede systematische aanpak vanuit het huidige verschil tussen eigen en vreemd vermogen.

Hoe komen uw standpunten tot stand?

Het gaat in mijn rol als senator niet om mijn standpunten maar om standpunten van de fractie van het CDA in de Eerste Kamer. Het gaat er natuurlijk om dat we aanhaken bij wat in de Tweede Kamer behandeld is. Daar wordt de zaak in eerste instantie uitgevochten. Als je daarbij niet aanhaakt, sta je alleen en bereik je niets.

Ik put me uit om in mijn fractie zo goed mogelijk uit te leggen waar het om gaat. Er is contact met de woordvoerder in de Tweede Kamer, maar er is ook contact met het ministerie. Als de bewindspersoon van je eigen partij is, is het natuurlijk gemakkelijk maar soms ook moeilijker. Ook toen we geen onderdeel van de coalitie waren (AS: kabinet-Rutte II) werden we er achter de schermen bij betrokken omdat er geen meerderheid in de Eerste Kamer was.

Wat zou in de tekst van een volgend regeerakkoord op fiscaal gebied moeten staan?

Hoe dan ook zal het toeslagstelsel moeten worden herzien, daar zal iedereen het over eens zijn, maar de vraag is: hoe? Macro-economen willen één toeslag. Het probleem is dat niet iedereen huurt en niet iedereen kinderen heeft. Er is een strijd tussen vereenvoudiging en rechtvaardigheid. Optimale rechtvaardigheid leidt – zo weten we inmiddels – tot grote problemen en soms maximale onrechtvaardigheid. Ik heb tijdens de behandeling van het Belastingplan 2020 gepleit voor het laten verstrekken van de toeslagen aan de woningcorporaties en zorgverzekeraars, maar als je alles naar de instellingen brengt, dreigt marktwerking verloren te gaan. Dat kan dus niet zo maar. Ook heb ik gepleit voor het ontvlechten van de Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Dat er nu twee staatssecretarissen zijn, lijkt al in die richting te wijzen. Maar daarin zit natuurlijk niet alleen de oplossing. De Belastingdienst is zijn aureool van redelijkheid kwijt. Ik vind het jammer dat de Belastingdienst deze redelijkheid verloren lijkt te hebben. Ik herinner nog maar weer eens aan het motto van de vroegere Belastingacademie: streng in de leer, maar soepel in de uitvoering.

U hebt jarenlang bij de plenaire behandeling van de Belastingplannen in de Eerste Kamer gepleit voor een herziening van de vennootschapsbelasting en voor een rechtsvormneutrale belastingheffing. Zou er in het volgende regeerakkoord ook iets over herziening van de vennootschapsbelasting moeten staan?

De Wet VpB 1969 is nog steeds dringend aan herziening toe. De huidige vpb geldt zowel voor grote multinationals maar ook voor kleine bv’s. Dat zijn onvergelijkbare grootheden en de rechtsgrond is mijns inziens daarvoor verschillend. Een nieuwe commissie die daarvoor voorstellen doet, is niet nodig. Er ligt al een rapport van Van Weeghel (AS: Continuïteit en vernieuwing: een visie op het belastingstelsel). Bovendien is er door staatssecretaris Snel een commissie belastingheffing multinationals ingesteld (AS: Adviescommissie belastingheffing multinationals), die binnenkort met zijn resultaten komt.

Rechtsvormneutraliteit van belastingheffing is een stokpaardje van me. Veel van de huidige constructies zouden we niet hebben als we fiscaal wat minder ‘respect’ hadden voor de rechtsvorm. Het gaat fiscaal over substance above form. Daar zou de OESO fundamenteel over moeten nadenken. Bij transfer pricing gebeurt dat al. In Nederland moet je kijken wat je als Nederland kunt doen, daarnaast in Europa en world wide. Dat geldt ook voor de gemeenschappelijke grondslag.

Jan van Dijck (AS: hoogleraar fiscaal recht) heeft ooit in een noot over een belastingconstructie gezegd: ‘wat moet deze belastingadviseur antwoorden als zijn zoontje hem vraagt: “Pappie, wat doe jij eigenlijk de hele dag?”’

Ik zie ook veel in de two-pillarbenadering van de OESO waarbij de staat kan bijheffen naast een minimumtarief. Maar ook hier geldt dat er recht dient te worden gedaan aan de democratische legitimatie: ‘No Taxation Without Representation’.

Australië kent een Inspector-General of Taxation (IGT). De IGT is een onafhankelijk orgaan belast met het toezicht op en de controle van de Australische belastingdienst. De IGT fungeert als een verbindende schakel tussen de belastingdienst en de regering, inclusief het parlement. De IGT kan op eigen initiatief, op verzoek van bewindslieden of het parlement onderzoek instellen. De IGT fungeert ook als ombudsman in fiscale zaken. Tot de taken van de IGT behoort onder andere het onderzoeken van systemen die zijn vastgesteld door de Australische belastingdienst bij de administratieve uitvoering van de belastingwetgeving. Hoe staat u tegen het instellen van een Nederlandse IGT?

In Amerika bestaat ook zo’n systeem. Ik zou het toejuichen. Maar deze IGT moet geen onderdeel van de Belastingdienst zijn. De IGT zou volstrekt onafhankelijk moeten zijn. Je hebt landen waar het parlement de wetgeving onafhankelijk bepaalt, dan heb je als parlement een andere positie. Maar een parlement kan zich ook zo’n positie toe-eigenen.

De Nederlandse regering beroept zich vaak op het belastinggeheim of landsbelang. Bijvoorbeeld met betrekking tot rulings krijgt de Tweede Kamer alleen maar informatie te horen in een besloten zitting. Door Van der Geld en Bouwman is onderzoek gedaan naar rulings. Tot nu toe blijkt niet dat er contra legem is gehandeld. Maar het probleem kan staatssteun zijn, waarbij de Commissie er naderhand doorheen kan fietsen.

Wat vond u van het intrekken van de afschaffing van de dividendbelasting?

Ik heb ook weleens gepleit voor afschaffen van deze belasting. Het was een beetje vreemd hoe dit punt in het regeerakkoord is gekomen. In geen enkel verkiezingsprogramma stond het en er was weinig draagvlak voor. Wat vooral opvallend was dat bedrijven vroegen het afschaffen niet door te laten gaan vanwege de negatieve publiciteit. Dat was vroeger ondenkbaar.

Wat vindt u van de NOB?

De NOB is een belangenorganisatie maar hun wetgevingsadviezen zijn van prima kwaliteit en in het algemeen belang. De positie van de belastingadviseur ten opzichte van de belastinginspecteur vind ik een punt van aandacht, bijvoorbeeld mandatory disclosure. Als de belastingadviseur te weinig informatie aanlevert, krijgt hij een boete. Maar als hij te veel informatie aanlevert, krijgt hij ook een boete.

Ik vind naming and shaming ook niet nodig. Daarmee komt een adviseur nooit meer aan de bak. Het is ook in strijd met de waardigheid van de overheid.

In zijn algemeenheid is er een fundamenteel verschil tussen de rol van de Inspecteur, die zich moet opstellen als een rechter, en die van de adviseur die binnen wet- en regelgeving de belangen van zijn klant behartigt.

Rubriek(en)
Overig
Auteur(s)
Arthie Schimmel
Zelfstandig fiscaal journalist
NLF-nummer
NLF Opinie 2020/8
Judoreg
NFB3127
Publicatiedatum
23 maart 2020

X