Direct naar content gaan

Samenvatting

In de aangifte IB/PVV 2012 van X was een bedrag aan voorheffingen vermeld van € 1.100.644. Op basis van deze aangifte is met dagtekening 21 februari 2014 een voorlopige aanslag vastgesteld met een te ontvangen bedrag van € 1.051.833. De teruggave is aan X uitbetaald. Daarbij is geen belastingrente berekend of vergoed. In een herziene aangifte is het bedrag van de voorheffingen grotendeels aan de echtgenoot toegerekend. De herziene aangifte is op 11 februari 2014 door de Inspecteur ontvangen. Met dagtekening 7 maart 2014 heeft X verzocht de voorlopige aanslag te herzien. Naar aanleiding daarvan is met dagtekening 16 mei 2014 een nadere voorlopige aanslag opgelegd met een te betalen bedrag van € 1.087.363. Voorts is bij beschikking € 33.886 belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is berekend over het tijdvak 1 juli 2013 tot en met 27 juni 2014.

In geschil is of terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht.

X stelt dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door belastingrente in rekening te brengen, dan wel daarvoor geen compensatie te geven. Zij voert hiertoe aan dat de Inspecteur op 21 februari 2014, de dagtekening van de voorlopige aanslag, al wist of had kunnen weten dat de voorlopige aanslag onjuist was, omdat X op 11 februari 2014 een herziene aangifte had gedaan.

De Inspecteur stelt daar onweersproken tegenover dat de voorlopige aanslag al eerder dan 21 februari 2014, namelijk op 7 februari 2014, was vastgesteld en dat de systemen van de Belastingdienst het niet mogelijk maken nadien de voorlopige aanslag te wijzigen of te voorkomen dat deze wordt verzonden. Voorts wijst de Inspecteur erop dat de voorlopige aanslag al voor de dag van dagtekening wordt verzonden.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de Inspecteur bij het vaststellen van de eerste voorlopige aanslag niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De belastingrente is berekend in overeenstemming met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. De wetgever heeft met deze regeling niet de hem toekomende beoordelingsmarge overschreden. Er is in het onderhavige geval ook geen sprake van een individuele buitensporige last in de zin van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

De in rekening gebrachte heffingsrente wordt nog wel enigszins verminderd. Overeenkomstig artikel 30fb, lid 1, tweede volzin, AWR wordt de rente berekend tot uiterlijk 13 juni 2014 (in plaats van 27 juni 2014).

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2012
Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
Datum instantie
30 mei 2017
Rolnummer
16/00520
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2017:4583
NLF-nummer
NLF 2017/1352
Aflevering
15 juni 2017
bwbr0002320&artikel=30fb&lid=1,bwbr0002320&artikel=30fb&lid=1,bwbr0011353&artikel=9.5&lid=1,bwbr0011353&artikel=9.5&lid=2

Naar de bovenkant van de pagina