Direct naar content gaan

Samenvatting

X (bv; belanghebbende) is de moedermaatschappij van een concern (fiscale eenheid) en heeft in 2010 een verlies geleden van € 2.102.550. Sommige onderdelen van de fiscale eenheid leden verlies, terwijl andere onderdelen winst maakten. In 2014 heeft binnen het concern een herstructurering plaatsgevonden. Tevens is A (bv) opgericht, die vervolgens is gevoegd in de fiscale eenheid.

Bij Rechtbank Gelderland (NLF 2021/1646, met noot van Ruijschop) (was (kort gezegd) in geschil of het voorvoegingsverlies van X uit 2010 kan worden verrekend met de winsten behaald door A in de jaren 2015 en 2016. Daarbij was tevens in geschil of sprake is van fraus legis.

De Rechtbank heeft de eerste vraag bevestigend beantwoord en de tweede vraag ontkennend. Voorts heeft de Rechtbank nog geoordeeld dat A niet gehouden was om in 2015 en 2016 af te schrijven op overgenomen goodwill, zodat zij haar winst in overeenstemming met goed koopmansgebruik heeft bepaald en deze winsten tot verrekening kunnen komen met het voorvoegingsverlies van X uit 2010.

De Inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij Hof Arnhem-Leeuwarden.

Met de Rechtbank oordeelt het Hof dat de door X geleden voorvoegingswinsten mogen worden verrekend en dat geen sprake is van fraus legis. Het Hof is het echter niet eens met het oordeel van de Rechtbank dat A niet gehouden was om in 2015 en 2016 af te schrijven op de overgenomen goodwill. Per saldo leidt dit ertoe dat het hoger beroep van de Inspecteur inzake de verliesverrekeningsbeschikking 2015 gegrond wordt verklaard en het hoger beroep inzake de verliesverrekeningsbeschikking 2016 ongegrond wordt verklaard. Voor het jaar 2016 leidt toepassing van artikel 15ah, lid 2, Wet VpB 1969 namelijk tot een aan A toe te rekenen winst die hoger is dan het resultaat van de fiscale eenheid. Partijen zijn eensluidend van mening dat in dat geval een afschrijving op goodwill geen betekenis heeft voor het te verrekenen bedrag aan voorvoegingsverlies uit 2010 van X.