Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(55)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(3)
  • Recent(11)

X (belanghebbende) en zijn echtgenote hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn per 1 juni 2001 geëmigreerd naar Zwitserland. Op 22 januari 2015 heeft de Inspecteur een tip ontvangen dat X in Nederland woonachtig zou zijn. Dit heeft geleid tot een navorderingsaanslag IB/PVV, waarin een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang is begrepen van € 21.324.861.

Hangende de beroepsprocedure heeft de Inspecteur een beroep op (gedeeltelijke) geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan. De geheimhoudingskamer van Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de beperking van de kennisneming – met enige aanpassingen – van de stukken en daarmee de geheimhouding van de identiteit van de tipgever en een derde die op initiatief van de Inspecteur is benaderd gerechtvaardigd is.

De Rechtbank heeft het beroep in de hoofdzaak op 10 maart 2020 ongegrond verklaard. X heeft hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft de Inspecteur weer verzocht om geheimhouding en beperkte kennisneming van stukken.

Ook de geheimhoudingskamer van Hof Arnhem-Leeuwarden heeft het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van stukken toegewezen. Over de identiteit van de tipgever en de derde heeft de geheimhoudingskamer van het Hof overwogen dat de inbreuk op de privacy van de tipgever en de derde aanzienlijk zwaarder weegt dan het verdedigingsbelang van X bij kennisneming van de identiteit van deze personen en de door de derde overgelegde stukken.

X heeft de einduitspraak van het Hof niet afgewacht, maar heeft dadelijk cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing van de geheimhoudingskamer, ofschoon de beslissing van het Hof is afgesloten met de standaardmededeling dat tegen tussenbeslissingen als deze slechts kan worden opgekomen tegelijkertijd met het cassatieberoep tegen de einduitspraak.

X ziet in cassatie weliswaar in dat dit wettelijk zo ligt, maar beroept zich op de zogenoemde doorbrekingsjurisprudentie.

Volgens A-G IJzerman is voor toepassing van de doorbrekingsjurisprudentie geen plaats indien tegen een tussenbeslissing naderhand nog kan worden opgekomen in cassatie tegelijkertijd met beroep in cassatie tegen de einduitspraak van het Hof. De A-G concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft twee weken later, op 22 april, al uitspraak gedaan in dit cassatieberoep. Dit arrest is hierna in deze editie opgenomen met noot van Geradts (NLF 2022/0880).

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2011
Instantie
A-G
Datum instantie
16 maart 2022
Rolnummer
21/02075
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:245
NLF-nummer
NLF 2022/0879
Aflevering
5 mei 2022
bwbr0002320&artikel=28&lid=5,bwbr0002320&artikel=28&lid=5,bwbr0005537&artikel=8:29,bwbr0005537&artikel=8:29

X