Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Adèle Bloemendaal scoorde in 1974 een carnavalshit met het nummer ‘Zallemenut nog een keertje overdoen?’ Met de aangekondigde heroverweging van de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting haakt het kabinet over de grenzen van de tijd en het aardse leven aan bij de polonaise van Adèle in een café en zingt uit volle borst mee: ‘Zallemenut nog een keertje overdoen, want het was niet naar m’n zin. Lanemenut nog een keertje overdoen en begin maar bij ’t begin.’


In deze bijdrage geef ik nog één keer aan wat bij de heroverweging niet buiten beschouwing mag blijven.

Het begin: voor wiens rekening komt de dividendbelasting?

In het debat rond de afschaffing van de dividendbelasting was een veelgehoorde stelling dat de afschaffing onzinnig was omdat buitenlandse aandeelhouders in hun buitenland de dividendbelasting altijd zouden kunnen verrekenen. Die opvatting vormde ook het fundament van de gedachte van de Rotterdamse econoom Bas Jacobs dat de Nederlandse dividendbelasting in grensoverschrijdende situaties geen heffing is ten laste van de buitenlandse aandeelhouders maar een heffing ten laste van de buitenlandse schatkist. De dividendbelasting die in de Nederlandse schatkist achterblijft, wordt gefinancierd door buitenlandse overheden.

Het loket ‘buitenlandse fondsen’

Als we die gedachte even in het achterhoofd houden en vervolgens het vizier richten op de oplossing die A-G Wattel beschrijft in zijn recente conclusie. Het gaat om een eenvoudige ingreep om de – in A-G Wattel’s beleving niet, maar waarschijnlijk volgens het HvJ wel – bestaande strijdigheid van de dividendbelasting met het EU-recht weg te nemen. Nederland moet de buitenlandse fondsen die vergelijkbaar zijn met Nederlandse fiscale beleggingsinstellingen (fbi’s) de mogelijkheid bieden om vrijwillig onder het juk van de Nederlandse dividendbelasting te komen. De A-G doet zelf enigszins lacherig over deze mogelijkheid omdat hij het heeft over het openen van een loket door de Nederlandse fiscus waar de fondsen zich kunnen melden met het aanbod om vrijwillig belasting af te dragen. En wie zou dat nou eigenlijk willen? ‘Je schiet er weinig of niets mee op’, aldus de A-G. Ook in het FD werden vraagtekens gezet bij het praktische nut van deze oplossing. Er zou slechts sprake zijn van een vestzak-broekzakoplossing. Dat laatste is echter onjuist.

Het effect van inhoudingsplicht op verzoek

Stel de dividendbelasting wordt gehandhaafd en laten we dan veronderstellen dat Nederland de met een Nederlandse fbi vergelijkbare buitenlandse fondsen de mogelijkheid biedt om vrijwillig onder de werking van de Nederlandse dividendbelasting te komen. Dat zal een aanpassing vergen van de Wet DB 1965 want op dit moment kennen we nog niet de mogelijkheid om te opteren voor de inhoudingsplicht. Punt van aandacht vormt de reikwijdte van de inhoudingsplicht. Ik kan mij voorstellen dat die wordt beperkt tot uitgedeelde winsten voor zover die afkomstig zijn uit Nederlandse beleggingen, bijvoorbeeld beleggingen in aandelen in Nederlandse vennootschappen. Een collectebus of een schoteltje naast de toiletten op Schiphol of Amsterdam Centraal waarin of waarop men de dividendbelasting op winstuitkeringen achter kan laten, kan niet volstaan, net zo min als een aparte bankrekening waar de gulle giften op kunnen worden gestort. Als men de keuze heeft uitgebracht om onder de werking van de Nederlandse dividendbelasting te komen, zullen de collectebussen, schoteltjes en bankrekeningen leeg blijven. Dat houdt verband met de afdrachtvermindering van artikel 11a Wet DB 1965. Een eenvoudig voorbeeld. Een buitenlands fonds ontvangt 100 aan dividend van Unilever. Na inhouding van dividendbelasting ontvangt het fonds netto 85. Het fonds declareert vervolgens een dividend van bruto 100, waarop 15 dividendbelasting ten titel van dividendbelasting wordt ingehouden. Het fonds keert 85 netto uit aan haar aandeelhouders. De door het fonds af te dragen dividendbelasting bedraagt nihil. Immers, op basis van artikel 11a Wet DB 1965 kan op de 15 af te dragen dividendbelasting in mindering worden gebracht de 15 dividendbelasting die op de uitkering op het Unilever-aandeel is ingehouden ten laste van het fonds. En de aandeelhouders van het fonds kunnen in hun woonland de 15 Nederlandse dividendbelasting proberen te verrekenen. Voor dat laatste moeten nog een aantal hobbels worden genomen. Als bijvoorbeeld het fonds is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten, is het de vraag of de Nederlandse dividendbelasting wel in overeenstemming met het verdrag is geheven. Is er geen sprake van verboden extraterritoriale heffing als bedoeld in de verdragsbepalingen die zijn geënt op artikel 10, lid 5, OESO-Modelverdrag? Mijns inziens niet. Van een daadwerkelijke heffing op de uitkering door het fonds, extraterritoriaal of anderszins, is geen sprake. De Nederlandse belasting die daadwerkelijk is geheven – over het dividend van Unilever aan het fonds – is geheven in overeenstemming met het verdrag. Het enige wat gebeurt, is dat het systeem van artikel 11a Wet DB 1965 de aandeelhouders in staat stelt in hun woonland aan te tonen dat te hunnen laste Nederlandse dividendbelasting is ingehouden. De ten laste van het fonds ingehouden Nederlandse dividendbelasting is getransformeerd in ten laste van de aandeelhouders van het fonds geheven Nederlandse dividendbelasting. En als we de tegenstanders van de afschaffing van de dividendbelasting mogen geloven, kan de ingehouden Nederlandse dividendbelasting in het woon- of vestigingsland van de buitenlandse aandeelhouder vrijwel altijd worden verrekend.

De ‘Bas Jacobs-doctrine’

Als de aandeelhouders erin slagen in hun woon- of vestigingsland de Nederlandse dividendbelasting te verrekenen, belanden we weer bij de opvatting van Bas Jacobs, namelijk dat de ten laste van buitenlandse aandeelhouders geheven dividendbelasting voor rekening komt van de buitenlandse overheden. Ik ben toch werkelijk benieuwd of die buitenlanden, met name onze EU-partners, bereid zullen zijn om de rekening te betalen voor deze aanpassing, de introductie van een inhoudingsplicht op verzoek, die nodig is om de Nederlandse dividendbelasting ‘EU-proof’ te maken. Dat zou de schatkisten van onze EU-vrienden in de toekomst wel eens honderden miljoenen euro’s kunnen gaan kosten als de dividendbelasting gehandhaafd blijft. Ik vraag me af hoe lang het duurt voordat Paul Tang zijn Nederlandse nationaliteit zal inleveren. Nederland is een nog grotere piratenstaat dan hij al dacht. Nederland rooft niet alleen de schatkisten leeg van de landen waar Nederlandse vennootschappen en hun dochters actief zijn. Ook de schatkisten van de landen waar de aandeelhouders wonen van fondsen die in Nederlandse bedrijven investeren (kosmopolitische kapitalisten volgens Paul’s grote vriend Jeremy Corbyn), worden leeggeroofd, dit alles om onze dividendbelasting EU-proof te houden en om de luxe, de ontspanning en het vertier van de inwoners van het piratennest genaamd Nederland te kunnen financieren.

Hoe verder zonder inhoudingsplicht op verzoek?

Paul Tang, volgens sommige haatzaaiers houder van de titel ‘nestbevuiler des vaderlands’, willen we natuurlijk niet kwijt. Dus Nederland zou kunnen overwegen om in geval van handhaving van de dividendbelasting een inhoudingsplicht op verzoek zoals beschreven in de vorige paragraaf niet in te voeren, of in ieder geval de toegang van buitenlandse fondsen tot de faciliteit van artikel 11a Wet DB 1965 uit te sluiten. Dit scenario lijkt waarschijnlijk als de Hoge Raad het advies van A-G Wattel opvolgt en bepaalt dat Fidelity Funds irrelevant is voor Nederland en dat de fondsen nergens recht op hebben. In dit scenario loopt Nederland echter het gevaar dat het aantal procedures aangespannen door buitenlandse fondsen alleen nog maar toe zal nemen. Daarnaast loopt Nederland het risico dat de Europese Commissie een procedure tegen Nederland begint omdat de Hoge Raad ten onrechte het HvJ heeft gepasseerd. Er bestaat een fors risico dat de ongewijzigde handhaving van de dividendbelasting een forse deuk in de staatskas veroorzaakt vanwege de bedragen die aan buitenlandse fondsen moeten worden teruggegeven, zowel over het verleden als ook in de toekomst. Handhaving van de dividendbelasting zal in die variant dan ook gepaard moeten gaan met een verhoging van andere belastingen om deze tegenvaller op te vangen. Dus ik zou bij ongewijzigde handhaving van de dividendbelasting nog maar even wachten met het uitdelen van de € 1,9 miljard die de dividendbelasting beweerdelijk jaarlijks oplevert.

Nog meer alternatieven

Er zijn nog meer alternatieven denkbaar. Als een fiets een lekke achterband heeft, is de meest voor de hand liggende methode om die band te plakken en weer op te pompen zodat het evenwicht wordt hersteld. Het evenwicht kan echter ook worden hersteld door de voorband leeg te laten lopen. Overwogen zou kunnen worden om bij handhaving van de dividendbelasting artikel 11a Wet DB 1965 integraal te schrappen. Op die wijze ontstaat een gelijke behandeling tussen fbi’s en buitenlandse fondsen. Geen van beide kan de te hunnen laste ingehouden dividendbelasting als verrekenbare voorheffing doorgeven aan hun aandeelhouders. Dat zal een flinke domper betekenen voor de fiscale beleggingsinstellingen die op 5 oktober euforisch hebben gereageerd op de aangekondigde heroverweging van de afschaffing van de dividendbelasting. Ik zie de fbi-aanhangers al verward inhakken of inrijden op de polonaise. Nadeel van deze oplossing is dat de neutraliteitsgedachte waar het fbi-regime op is gebaseerd, wordt doorbroken. Een alternatief waarbij recht wordt gedaan aan die gedachte, waarbij de voordelen van het fbi-regime worden gehandhaafd en er naar alle waarschijnlijkheid geen negatieve gevolgen voor buitenlandse overheden optreden, is door mij beschreven in de Belastingplanspecial 2018/#21. Maak de fbi fiscaal transparant voor toepassing van de inkomsten-, de vennootschaps- en de dividendbelasting. Winstuitkeringen door een fbi zijn dan niet onderworpen aan de inhouding van dividendbelasting en de regeling van artikel 11a Wet DB 1965, de bepaling die eigenlijk de ware bron van alle lopende procedures is, kan worden geschrapt. Binnenlandse aandeelhouders kunnen dan de ten laste van de fbi ingehouden bronbelasting verrekenen, in wezen net als nu. Buitenlandse fondsen zoeken het verder maar uit. Op deze wijze wordt Nederland naar de toekomst toe bevrijd van claims door buitenlandse fondsen.

Het ultieme alternatief

Het ultieme alternatief is uiteraard dat men na afloop van de polonaise in het café tot het inzicht komt dat het oorspronkelijke plan om de dividendbelasting te schrappen toch het beste plan is. De argumenten ter onderbouwing daarvan zijn in vorige edities van NLF Opinie uitgebreid aan de orde geweest.

Het slotwoord van Adèle Bloemendaal

Welk alternatief er uiteindelijk ook uit de bus komt na de heroverweging, elk alternatief zal iemand geld kosten. Het slotakkoord is dan ook van Adèle Bloemendaal, kort voordat zij weer opgaat in het oneindige:

‘Schok je belastingcenten vlot,En wil je weten waar ze blijven,Dan loopt het spoor (Ja, jongens),Recht naar de kroegen en de wijven.’2
Rubriek(en)
Dividendbelasting
Auteur(s)
Fred van Horzen
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/57
Judoreg
NFB2211
Publicatiedatum
18 oktober 2018

X