Direct naar content gaan

Samenvatting

In deze zaak is in hoger beroep onder meer nog in geschil of Rijnvarende X (belanghebbende) recht heeft op vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen voor het tijdvak 1 januari tot en met 30 april 2010.

Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt het oordeel van Rechtbank Noord-Nederland dat daarop geen recht bestaat.

De Inspecteur heeft zich uiteindelijk, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 (21/01854, ECLI:NL:HR:2022:697, NLF 2022/1139, met noot van Van de Ven), op het standpunt gesteld dat recht bestaat op aftrek in verband met de werkkostenregeling. Voor zover de Inspecteur zich op het standpunt heeft willen stellen dat X mogelijk vergoedingen heeft ontvangen die tot het loon moeten worden gerekend – waardoor het loon ook na toepassing van de werkkostenregeling niet tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen – heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt.

X heeft recht op een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor een bedrag van € 5.500.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat X kennelijk aanvankelijk ervoor heeft gekozen artikel 3.84, lid 2, Wet IB 2001 buiten toepassing te laten en dat X hangende het hoger beroep van die keuze is teruggekomen. Dat brengt mee dat voor zover het hoger beroep gegrond is in verband met toepassing van die bepaling, er geen aanleiding is voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, aldus de Inspecteur.

Het Hof volgt de Inspecteur niet in dit standpunt. X heeft recht op een proceskostenvergoeding van € 1.766.

Metadata

Rubriek(en)
Sociale verzekeringen
Belastingtijdvak
2010-2012
Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
Datum instantie
3 januari 2023
Rolnummer
20/01060; 20/01061; 20/01062
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:4
NLF-nummer
NLF 2023/0204
Aflevering
19 januari 2023
bwbr0011353&artikel=3.84,bwbr0011353&artikel=3.84

Naar de bovenkant van de pagina