Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Aan vrachtwagenchauffeur WR is door de belasting- en douanedienst van het Verenigd Koninkrijk een aanslag in de accijns opgelegd voor goederen die hij op illegale wijze naar het Verenigd Koninkrijk heeft vervoerd. Voor de lading (pallets bier) gold geen schorsing van accijns omdat de betreffende code op de vrachtbrief al eens was gebruikt. In een door WR ingestelde procedure is de aanslag vernietigd.

De Court of Appeal heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ omdat zij twijfelt aan de geldigheid van de uitspraak van de Upper Tribunal.

Het HvJ antwoordt op de vragen dat artikel 33, lid 3, Accijnsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die voor rekening van een ander accijnsgoederen vervoert naar een andere lidstaat en die fysiek in het bezit is van deze goederen op het tijdstip waarop de accijns daarover verschuldigd wordt, op grond van die bepaling gehouden is tot voldoening van deze accijns, ook al kan hij geen enkel recht of belang doen gelden met betrekking tot die goederen en weet hij niet dat het gaat om accijnsgoederen of – indien hij daar wel van op de hoogte is – weet hij niet dat de accijns over die goederen verschuldigd geworden is.

Conform Conclusie A-G Tanchev (NLF 2021/0381, met noot van Polak).

Rubriek(en)
Accijnzen
Belastingtijdvak
2013
Instantie
HvJ
Datum instantie
10 juni 2021
Rolnummer
C‑279/19
ECLI
ECLI:EU:C:2021:473
Auteur(s)
Arjan Wolkers
Ploum advocaten
NLF-nummer
NLF 2021/1357
Aflevering
8 juli 2021
Judoreg
NFB4441

X