Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(747)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(3)
  • Recent(19)

Bij beschikking van 29 februari 2020 heeft de Heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de woning van X (belanghebbende) voor het jaar 2020, met waardepeildatum 1 januari 2019, vastgesteld op € 487.000.

X stelt dat de Heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de vrij-op-naam-prijs (VON-prijs) van de woning. De woning is op 31 januari 2018 gekocht voor € 368.000. Daarbij kwam ongeveer € 40.000 meerwerk, en na indexatie resulteert dit in een waarde op de waardepeildatum van € 442.000, aldus X.

De Heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat een VON-prijs in verreweg de meeste gevallen geen goed uitgangspunt is, omdat een VON-prijs niet tot stand komt in het gewone spel van vraag en aanbod.

Volgens Rechtbank Noord-Holland is de Heffingsambtenaar geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat de VON-prijs van de woning, vermeerderd met de kosten van meerwerk, substantieel afwijkt van de waarde in het economische verkeer op de waardepeildatum. De Heffingsambtenaar heeft met zijn analyse van de gerealiseerde verkopen van vergelijkingsobjecten aannemelijk gemaakt dat als de woning als bestaande woning zou zijn verkocht, daarvoor een prijs zou zijn betaald die aanmerkelijk hoger ligt dan de door X bepleite waarde op basis van de VON-prijs met het meerwerk. Het beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2020
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum instantie
23 december 2021
Rolnummer
20/5946
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:11906
NLF-nummer
NLF 2022/0148
Aflevering
13 januari 2022
bwbr0007119&artikel=17

X