Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(6)
  • Jurisprudentie(16)
  • Commentaar NLFiscaal(6)
  • Literatuur(4)
  • Recent(3)

X (belanghebbende), een Belgische vennootschap van een Belgische familie, houdt belangen en verwerft en vervreemdt belangen in een aantal onder meer Nederlandse en Belgische deelnemingen die direct of indirect een onderneming drijven. X beschikt over kantoorruimte in de woning van een van de Belgische familieleden, die tevens gedelegeerd bestuurder is, en maakt kosten van ruim € 650.000 per jaar ten behoeve van haar verrichte werkzaamheden.

X heeft een belang van 24,39% in A (bv). A is een ‘feeder vennootschap’ voor participanten in een fonds van het Nederlandse private-equityhuis G. Het fonds heeft twee parallelle structuren, één voor Nederlandse en Belgische investeerders en één voor overige buitenlandse investeerders.

Op 31 juli 2018 heeft A een uitkering van € 2.082.518 uit de winst- en agioreserve gedaan aan haar aandeelhouders, waaronder X. Op de uitkering aan X is 5% dividendbelasting ingehouden, ter zake waarvan op 30 augustus 2018 aangifte dividendbelasting is ingediend door A.

In geschil is of X aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, lid 2, Wet DB 1965, of dat lid 3, aanhef en onderdeel c, van datzelfde artikel aan de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de weg staat.

Hof Amsterdam oordeelt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat zowel aan de subjectieve als aan de objectieve toets voor de toepassing van artikel 4, lid 3, aanhef en onderdeel c, Wet DB 1965 is voldaan. Het Hof acht aannemelijk dat sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de aandeelhouders van X wordt ontgaan. Anders dan X stelt, is niet vereist dat winsten direct worden uitgekeerd, maar is voldoende dat daartoe de mogelijkheid bestaat. Het Hof merkt hierbij op dat géén sprake is van een afwezigheid van misbruik reeds omdat X een materiële onderneming drijft. X is voorts niet geslaagd in het tegenbewijs.

Het Hof oordeelt verder dat de antimisbruikbepaling zoals neergelegd in voormeld artikel, althans de wijze waarop daaraan invulling is gegeven door middel van een subjectieve en objectieve toets, niet in strijd is met het Unierecht. X kan geen aanspraak maken op de inhoudingsvrijstelling. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.

Rubriek(en)
Dividendbelasting
Belastingtijdvak
2018
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
2 juni 2022
Rolnummer
20/00439
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:1732
Auteur(s)
Michiel Hennevelt
Hof Arnhem-Leeuwarden
NLF-nummer
NLF 2022/1249
Aflevering
30 juni 2022
Judoreg
NFB5103
bwbr0002515&artikel=3,bwbr0002515&artikel=3,bwbr0002515&artikel=4&lid=2,bwbr0002515&artikel=4&lid=2

X