Direct naar content gaan

Samenvatting

X (bv; belanghebbende) is houdstermaatschappij van een Nederlandse bv en heeft meerdere buitenlandse deelnemingen. A was CEO en statutair directeur van X. Hij was in dienstbetrekking bij X vanaf 7 september 2011. De dienstbetrekking is met ingang van 31 december 2015 beëindigd.

Nabetalingen aan A in 2016 (bonussen en salarisnabetalingen) – na einde dienstverband – zijn door X als loon verantwoord in de aangifte loonheffingen over september 2016. De Inspecteur heeft na een onderzoek naheffingsaanslagen loonheffing opgelegd. Hij stelt dat de nabetalingen in 2013 zijn genoten (naheffingsaanslag 2013). De betreffende loonbestanddelen moeten volgens de Inspecteur voorts voor de toepassing van artikel 32bd Wet LB 1964 (crisisheffing) worden aangemerkt als op 31 maart 2014 genoten loon (naheffingsaanslag 2014). Verder worden de loonbestanddelen voor de toepassing van artikel 32bb Wet LB 1964 (excessieve vertrekvergoeding) aangemerkt als van de inhoudingsplichtige genoten loon in 2013 (naheffingsaanslag 2015/2016).

Rechtbank Noord-Holland heeft het door X ingesteld beroep inzake de jaren 2013 en 2015/2016 alsmede het beroep tegen de vergrijpboete ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag 2014 heeft de Rechtbank vernietigd omdat niet is komen vast te staan dat over de loonbestanddelen in 2013 belasting is geheven. De pseudo-eindheffing van artikel 32bd Wet LB 1964 blijft daarom buiten toepassing.

Zowel X als de Inspecteur hebben hoger beroep ingesteld.

Hof Amsterdam concludeert ook in hoger beroep dat de bekendmaking van de naheffingsaanslag 2013 op de juiste wijze is geschied. Verder is de vraag of X de naheffingsaanslag heeft ontvangen in (hoger) beroep niet (juridisch) relevant nu X in haar bezwaar terecht ontvankelijk is geacht.

Het Hof bevestigt de oordelen van de Rechtbank inzake de naheffingsaanslagen. Met de Rechtbank is het Hof voorts van oordeel dat er geen sprake is van een pleitbaar standpunt van X. De boete is passend en geboden. Door de Rechtbank is rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn, er bestaat voor het Hof geen reden om de boete verder te verlagen.

De hoger beroepen zijn ongegrond.

Metadata

Rubriek(en)
Loonbelasting
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2013-2016
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
31 mei 2022
Rolnummer
21/00291; 21/00292; 21/00297
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:1688
NLF-nummer
NLF 2022/1562
Aflevering
11 augustus 2022
bwbr0002471&artikel=32bb,bwbr0002471&artikel=32bb,bwbr0002471&artikel=32bd,bwbr0002471&artikel=32bd

Naar de bovenkant van de pagina