Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(108)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(5)

X (bv; belanghebbende) heeft ter zake van 13 auto’s op aangifte BPM voldaan en vervolgens bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Rechtbank Gelderland heeft één van de 13 beroepen gegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade van € 6.500 en in de proceskosten van € 2.046 en de Inspecteur gelast het betaalde griffierecht van € 4.394 (13 x € 338) te vergoeden. X en de Inspecteur hebben hoger beroep ingesteld.


Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de Inspecteur niet op dezelfde dag waarop hij het bericht van verhindering ontvangt, kan besluiten om toch op de tijdig hem ter kennis gekomen verhinderdatum – 6 februari 2018 – hoorgesprekken te plannen om vervolgens wegens het niet verschijnen van X af te zien van het horen. Uit gedragingen van X en haar gemachtigde kon niet worden afgeleid dat het aan de feitelijke bereidheid om gehoord te worden ontbrak. Het Hof oordeelt dat de hoorplicht is geschonden. Het Hof ziet in tegenstelling tot de Rechtbank geen aanleiding om dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb te passeren. Het Hof wijst de zaak, met toepassing van de justitiële lus, terug naar de Inspecteur.


Het Hof leidt uit de gang van zaken met betrekking tot de planning en het houden van de hoorgesprekken voor de onderhavige zaken geen bijzondere omstandigheid af. Voor verlenging van de redelijke termijn is, anders dan de Inspecteur betoogt, geen reden.


Het Hof stelt verder de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase ten aanzien van de 12 ongegronde beroepen opnieuw vast. Naar het oordeel van het Hof is in onderhavige gevallen sprake van bijzondere omstandigheden die afwijking van het forfaitaire tarief van € 534 rechtvaardigen. Het Hof neemt hierbij onder meer in aanmerking dat de Inspecteur eerst tijdens de zitting van het Hof de relevante stukken omtrent de hoorgesprekken, waaruit een coöperatieve houding van gemachtigde blijkt, heeft ingebracht, waardoor X en haar gemachtigde zich hiertegen hebben moeten blijven verzetten. De vergoeding voor deze beroepen alsmede voor het hoger beroep wordt vastgesteld op € 5.610.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2017-2018
Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
Datum instantie
12 oktober 2021
Rolnummer
19/01307;19/01308;19/01309;19/01310;19/01311;19/01312;19/01313;19/01314;19/01315;19/01316;19/01317;19/01318;19/01319
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:9550
NLF-nummer
NLF 2021/2095
Aflevering
4 november 2021
bwbr0005537&artikel=7:2

X